Eerste dag in China…
Gisteren in Zaventem mocht ik al direct beginnen met het herschikken van de bagage; slechts één stuk(je) handbagage toegelaten op bevel van de Britten –hoe liet ik mij toch verleiden om via Londen te reizen voor een paar euros minder? Dat het menens was bleek in Heathrow: overtollige handbagage werd er prompt naar af gestuurd, : de woedende passagiers konden hun materiaal gaan afhalen aan de transportbanden en de hele incheckprocedure herbeginnen; aansluitende vlucht kwijt? Niet ons probleem, mijnheer…Voor mij viel dat eigenlijk wel mee, want ik moest nu minder handbagage sleuren en geen supplement voor overgewicht betalen. Minder aangenaam was de finale controle: schoenen uit, laptops uit de hoes, en alle vloeistoffen afgeven. De strijd tegen het terrorisme gaat echt met grote sprongen vooruit.
Gelukkig waren deze episode en de oneetbare green peas die British Airways serveerde de enige smetten op een vlotte reis. Precies twaalf uur na vertrek uit Brussel stonden we in Beijing; met zes uur tijdsvoorsprong was het daar intussen al halftien ‘s morgens van de volgende dag. Het vliegtuig zat maar voor tweederden vol, overwegend jongeren. Buitenlandse studenten misschien die zoals mij het nieuwe academiejaar aanvangen? In het vliegtuig ontmoet ik Isabel Crook, Canadese, 91 jaar en sinds 1948 in China, eerst als antropologe in de door de communisten bevrijde zones, daarna professor aan de Universiteit voor Buitenlandse Relaties in Beijing en nu ereadviseur van een groep die werkt aan het heroprichten van landbouwcoöperaties. Ze kent of kende persoonlijk Joan Hinton, Israel Epstein, Rewi Alley, stuk voor stuk Westerlingen die in de opbouw van communistisch China een opGemerkte rol speelden; ze kent ook onze eigenste Serge Pairoux, ooit secretaris-generaal van de Vereniging België-China en die nog met haar samen in de Culturele Revolutie zat. Isabel is een stevige Maoiste, die wat men bij ons de ‘verschrikkingen’ van de Grote Sprong en de Culturele Revolutie noemt vanuit haar eigen ervaring erg nuanceert. Ze schrijft nu aan een boek over de ervaringen met de landhervorming voor een na de bevrijding. We beloven in contact te blijven en ze nodigt mij uit om bij gelegenheid in Beijing een wekelijkse bijeenkomst van linkse buitenlandse experts bij te wonen)
De controle aan de Chinese grens in Beijing verloopt zoals gewoonlijk buitengewoon vlot; niemand vraagt naar het medische attest waar ze in in Brussel zo druk over deden. Er blijken inderdaad dagelijks een pak vluchten naar Shenyang te zijn en om goed twee uur zet ik daar al, 50 euro lichter, voet aan de grond. Het extraflesje witte wijn dat een Britse steward me nog meegegeven had voor de onGemakken ben ik wel kwijt: wijn valt nu blijkbaar ook in Beijing in de categorie verboden vloeistoffen voor de handbagage; ik wens de ijverige controleur smakelijk en waarschuw haar dat ze van wijn dronken kan worden. Juffrouw Ma Shu komt me aan de gloednieuwe- hoe kan het ook anders?- luchthaven in Shenyang opwachten . Drie jaar afgestudeerd aan de universiteit en op het punt te vertrekken naar Engeland voor verdere studies, op eigen kosten welteverstaan. Van mijn dossier weet ze blijkbaar niet veel, ze blijft steken bij klassiekers zoals ‘Bent u voor het eerst in China?’.De tocht naar de universiteit duurt lang, we moeten van Zuid naar Noord dwars door de stad. Het Zuidelijk deel lijkt wel Beijing of Shanghai, snelwegen, verblindende hoogbouw en niets van meer dan 10 jaar oud te bespeuren. De bij ons beruchte ‘roestgordel’ van de wijk Tie Xi – het eerste geïndustrialiseerde gebied van China daterend uit de jaren 30-ligt een vijf- à tiental kilometers van onze weg af, ik vermoed overigens sterk dat ook daar niet veel roest meer te bespeuren is (misschien goed voor een volgende aflevering van dit dagboek nadat ik daar op verkenning geweest ben). Naar het centrum ven het noorden van de stad komen we meer ‘oude’ gebouwen tegen (stijl jaren 80). De universiteit is een stadje op zichzelf, meer dan 10 km van het stadscentrum , aan de noordelijke snelwegen eigenlijk al terug wat op den buiten. Rechtover de grote ingangspoort een reeks éénverdieping gebouwtjes met winkels en restaurants, alles ziet er nogal goor uit en lijkt meer op garagepoorten dan op handelszaken.De stijl die ik op vorige bezoeken ook al tegen kwam buiten de steden.
Op de universiteit is het nog rustig. De meeste studenten komen pas tegen het weekend toe om maandag te beginnen. Het Chinese systeem van toelatingsexamens is zodanig dat studenten bijna altijd ver van huis zitten, dus iedereen is hier intern. Juffrouw Ma toont me mijn flat, het is een apart complex voor vreemdelingen, een grote vleugel is bestemd voor buitenlandse studenten – vooral Koreanen naar het schijnt- en een bijgebouw voor buitenlandse leraars: er zijn er ongeveer 24, waarvan 4 of 5 aan de school voor vreemde talen waar ik ga les geven; de rest zit ondermeer aan een ‘echte’ business school die hier met geld van de Ohio State University is opgericht. De flat zelf beantwoordt aan de verwachtingen en de vooraf gekregen beschrijving. Een slaapkamer, een salon-eetplaats-bureel, een keukentje en een badkamer Het is nogal ruim, met afwerking en meubilering ‘op zijn Chinees’: witgekalkte muren, neonverlichting, en de helft van de meubelen camelot; een airconditioning die werkt, een TV met veel sneeuw op het scherm, een badkamer met douche, wasbak, toilet, wasmachine met Chinese handleiding en een soort noodverlichting – of vergis ik me en is het een Chinees systeem om de was te drogen?
Allen de keuken valt wat tegen: elektrische toestellen zat: dampkap; kookplaatje, frigo en diepvriezer, waterverwarmer, microgolf,…maar slechts één stopcontact en dus een gevaarlijk spinneweb van draden; naast de pompbak een half metertje afdruiprek/werkplank waar dan nog de kookplaat opstaat. Daaronder een rommelig kastje met een wok en een pan (de beloofde ‘rijstkoker’?). Geen bord, geen beker, geen messen, vorken noch lepels, zelfs geen stokjes; er zou overigens toch geen plaats zijn om ze te zetten, laat staan als er ook nog voedselvoorraden moeten bijkomen. Ik geloof nooit dat hier al veel gekookt is. Internetaansluiting is er wel, maar het informaticadepartement begint pas volgende week te werken, de aansluiting kan nog wel wat duren…Intussen zit er niet anders op dan op het kantoor van juffrouw Ma dringende e-mails te gaan versturen. Er zijn ook twee telefoons, één binnen de universiteit en één buiten. Maar de internationale gesprekken zijn duur – ik heb het intussen getest, één euro per minuut, dat is twintig keer meer dan onze discount provider in België vraagt in de omgekeerde richting; juffrouw Ma geeft me de raad een speciale telefoonkaart aan te kopen van een Chinese discounter.
De twee kisten met ons ‘zwaar’ materiaal zijn in Shenyang wel degelijk aangekomen; om ze vrij te krijgen heeft Ma mijn paspoort en nog wat documenten nodig; ze belooft er –alweer- volgende week werk van te maken.
Voor de pedagogische begeleiding van mijn opdracht moet ik niet bij haar zijn, maar is er een afspraak bij de decaan zaterdag.
Er is in het vreemdelingengebouw een restaurant dat open is; gelukkig maar want voor de rest is hier zo goed als alles nog gesloten; geen mogelijkheid om voedsel te kopen; voor 14 yuan (1,4 euro) ben ik gesteld in het restaurant, met Engelstalig menu maar niemand die een woord Engels spreekt. Er spelen zowaar enkele jonge katten, een heel ongewoon zicht voor China.
Rond negen uur val ik in slaap, veel slapen op het vliegtuig vorige nacht was er niet bij. Het bed is keihard, een soort gecapitonneerde plank; vroeger sliepen de Chinezen gewoon bovenop de stenen haard. De ramen staan open, morgen moeten ze me uitleggen hoe de afstandsbediening van de airco aan de praat te krijgen; buiten sjirpen de krekels; af en toe fluit in de verte een trein; het verkeer op de snelweg is zo goed als stilgevallen.
