We nemen afscheid in stijl!
We nodigen Jan en Arlette uit om samen te aperitieven in Jinmao: de vierde hoogste toren van de wereld. Eigenlijk ben ik blij verrast als ze zeggen tijd te hebben, we bleven lang napraten na het ontbijt waardoor ik nu als een furie door het appartement raas om de koffer in een sneltempo te pakken: ik heb een vriend die me altijd furie noemt: ik doe mijn naam eer aan.
Lift in en 88 verdiepingen hoger uitstappen. Ook hier verlies je al je zin voor proporties of is het omgekeerd: zie je hier weer de proporties omdat dit de uitgelezen plaats is om te zien hoe klein alles beneden is? Eigenlijk wel.
Vlak naast deze toren is men alweer een hogere aan het bouwen: dé hoogste van de wereld. Dacht men: in de Emiraten is men ook al bezig met echt dé hoogste, dat heb je als concurrerend van aard bent!
We hebben mooi de tijd om van ons pintje, het uitzicht en van mekaar te genieten: er worden afspraken gemaakt: Jan en Arlette komen naar Shenyang. Hoe frustrerend zal dat voor mij niet zijn om hen niét te kunnen ontvangen! Ik die ook zo graag ontvang, wij die hier zo verwend werden. We hebben niet eens vier stoelen, laat staan een deftig museum! Maar we vinden er wel wat op…
De vlucht naar Dalian verloopt probleemloos, al vlieg ik liever in een groot tuig dan in zo’n kleintje dat meer zotte keuren heeft.
In Dalian aangekomen botsen we even op een misverstand. Frank bezocht Dalian al enkele malen toen hij nog werkte en logeerde toen in de stad en vindt het nu evident dat we naar de stad trekken. Voor mij staat Dalian gelijk met de zee, dus vind ik het evident dat we naar de zee trekken. In de luchthaven staan steeds mensen die hulp aanbieden voor het vinden van een hotel. In tegenstelling met wat wij dachten ervaren we nu ook weer dat je daar gerust kunt op in gaan: die mensen doen echt hun best om je te helpen. Het meisje snapt dit echtelijk misverstand en heeft een oplossing: de taxi brengt ons naar een hotel aan zee, indien ons dit niet bevalt brengt hij ons naar een hotel in de stad.
Het hotel aan zee is ‘volgeboekt’ maar nadat ze mijn ontgoocheld gezicht zien en wat heen en weer telefoneren is er wel een kamer met zicht op zee. We blijven. Het is ‘het sanatorium van de mijnwerkers’. Geweest. Nu is het een gewoon hotel, vrij sjiek maar de bezoekers zien er niet echt bemiddeld uit. Er is zelfs een badhuis aan. Ik maak er geen gebruik van gezien we een heerlijk badje in de kamer hebben, en een man die bereid is te masseren, ah, het badhuis verbleekt.
Verder valt hier op dat alles tweetalig is: Chinees én Russisch! Geen Engels. Je ziet hier ook nauwelijks vreemdelingen en als je er ziet zijn het inderdaad Russen. Eigenaardig want Dalian is de stad van Koreanen (de buurmannen) en vooral Japanners – na de eerste wereldoorlog werd deze Duitse (!) kolonie aan de Japanners cadeau gedaan.
De zeelucht doet me zo goed! We gaan diep ademhalend aan de rand van het water zitten. Hier zal ik uren doorbrengen. Diep ademhalend en rustend. Zeker weten.
Een kindje van negen jaar komt naar ons en zegt zo schattig: ‘let’s take a picture’. Niet te weerstaan. Het overkomt me hier nog vaak: door jong en oud, krijgen we die vraag.
We genieten van een visschotel in een restaurantje met zicht op zee. Ik voel me erg blij en besef meer dan ooit dat ik aan de zee geboren ben: ik kan niet zonder.
