Een zalige dag in Lhasa:
Een zalige dag in Lhasa: nog eens rond de Potala wandelen en de ogen laten rollen bij alles wat rondom ons gebeurt. Op een dakterras lekker gaan eten, een slaatje en allerlei, dit kan in Lhasa, zelfs de pannekoek met chocolade als dessert ontbreekt niet. Op souvenirjacht gaan: erg verleidelijk omdat er hier veel toffe, zotte spullen uit Nepal zijn. En lachen: een vrouw vraagt me waar ik mijn sjaal kocht: ik zeg: ‘in Shenyang’. Blijkt toch wel dat zij uit Shenyang komt én studeerde in onze universiteit!
Mails opvragen, lang geleden en leuk om lezen!
En… discussiëren met iemand van het reisbureau: blijkt dat ze hier in Lhasa niet genoeg van het geld kregen dat wij in Peking betaalden voor ons reisagentschap in Chengdu…ingewikkeld maar zo was het georganiseerd. Eigenlijk was deze situatie ons probleem niet maar op zijn Chinees wordt daar uren en uren verhit over gepraat.. Ze kennen echter Frank nog niet die jaren zaken deed met Chinezen met één houding: ik heb meer geduld dan jullie … morgen volgende zitting!.
We dolen door deze zotte, chaotische oude stad tot in de late uurtjes. Zoals in vele plaatsen hoef je maar één straatje in te slaan, vlak bij een drukke straat, vol pelgrims of vol toeristen en je komt in een stille, andere wereld.
hallucinaties naar de pistoleetjes van onze bakker
Het is zondag: weerom heb ik hallucinaties naar de pistoleetjes van onze bakker, in Tielrode. Nu omdat we helemaal niet kunnen ontbijten. We vertrekken om 7 uur, over ‘bumpy roads’ natuurlijk en houden pas om 11 uur halt bij een Chinees restaurant waar we noedels eten. Ja, dat eerste pistoleetje met jonge kaas zal smaken!
De bumpy road zal snel geschiedenis worden: we rijden langs kilometers wegenwerken.
Rond de middag denk ik dat we er misschien wel nooit zullen geraken, het is oneindig traag en ver. Maar ik ben blij dat ik nooit in slaap val, het is te mooi! Te uniek.
Wat verandert de wereld bruusk eenmaal we weer in landbouwgebied terecht komen! Veel meer rijkdom, groen, glans, kleur…
In Gyantse trakteren we de gidsen op een afscheidsetentje. Leuk dat we hier nog eens terug zijn, dit is een tof stadje.
Dichterbij Lhasa zien we veel feesttentjes bij de boeren en in de boomgaarden staan: blijkt dat men feestviert omdat het regent! De moesson-regens zijn eindelijk aangekomen.
We worden geconfronteerd met een zeer doeltreffende manier van snelheidsbeperking: een controlepost geeft je op punt A een papiertje met je gegevens van je wagen op en een tijd: voor die tijd mag je niet op punt B aankomen of je krijgt een bekeuring…
Om 8u30 komen we in Lhasa aan. We hebben weerom dezelfde mooie kamer met zicht op de Jokhang, als toe we aankwamen, als dat niet prachtig is!
Hotelkamer met zicht op de Barkhor kora (pelgrimstocht) rond de Jokhang tempel, de belangrijkste van Lhasa.
Een bijdrage van Lieve | Commentaar (0)GEITEN ZIJN BANG VOOR DE REGEN
We moeten om 6u30 vertrekken. De rit om terug in de bewoonde wereld te geraken, in Lhasa, zal twee dagen heel intens rijden worden, geen alternatief. En zeggen dat we straks de afstand Shenyang-Tielrode kunnen overbruggen in 20 uur…
Ik vind het heerlijk om in het donker te vertrekken en stilletjes te zien hoe het licht zijn weg zoekt.
Een groot gedaante op een steen, vlakbij, het blijkt een gier te zijn… Monsterlijk groot, klauwen en ogen om van te schrikken.
Een wolk die als gevangen aan een bergtop blijft kleven, ik zou willen blazen.
Het oranje op de bergketen, sneeuw zou dat heten.
Het wordt licht en veel, veel minder magisch, wel mooi.
We rijden de weg die we reden, omgekeerd. Ik vind dat fijn, geeft me tijd om te verwerken.
We geraken niet in het stadje waar een hotel, jawel, op ons wacht. De baan is wegens werken na zes uur ’s avonds afgesloten. We slapen weer in een ‘slaapkot’: het stinkt er vreselijk naar benzine: ik zal er ’s morgens met barstende hoofdpijn van wakker worden.
Daarenboven regent het. Armoede in de regen is nog eens zoveel treuriger! Bijna een anti-climax ware het niet dat we nog warm hebben van de herinneringen.
Geiten schuilen voor de regen op vensterbanken, in deurportalen, onder luifeltjes: het is duidelijk: ze houden ook niet van regen!
We gaan ons boek lezen bij de familie: het is er gezellig warm, buiten is het behoorlijk koud, en er is een leuke sfeer: de oudste dochter krabt de rug van vader, de kleine loopt rond en over de zetels heen om uiteindelijk bij pa halt te houden en haar hoofd onder zijn onderhemd te steken en op zijn blote dikke buik te liggen, de vrouwen koken,… ze storen zich niet aan ons. Om 22u30 begint hun avondmaal.
DE RAAF VERTELT EEN VERHAAL
Een groot voordeel van dit soort logeren is dat je niet dichter bij het Tibetaanse leven kan komen dan we nu doen. Elk logeren betekent eten, rusten, lezen, zitten in de leefruimte van de familie. Zo ontbijten we, eten we terwijl we zien dat de Tibetanen geen eetcultuur hebben: elk eet waar en hoe hij wil. Tussendoor spelen ze met hun gsm: elk heeft er zowat één. Of met een gameboy: tuut, tutu tuut, in the middle of nowhere. De vader geeft na het eten onderwijs aan zijn zonen. De knappe, jonge moeder breidt wat, ze heeft rugpijn. Ze heeft vanmorgen vroeg, samen met haar dochter al liters, dus kilo’s water uit het meer gehaald. De rand van het meer is vuil, dus hebben ze het water eerst door een gaas laten filteren. Er was nochtans een man en twee oudere broers in huis. Wat heb ik de vrouwen hier al zien sjouwen en werken, zelfs in de bouw, aan de straat… de gids zei:’de vrouw is de os van de man’: ik weet nu dat hij het meent. Het choqueert me, het choqueert me ook dat dit plaatje ook nooit getoond wordt als het over Tibet gaat…Los hiervan stel ik me vaak de vraag: wie leefde zo? Mijn ouders toen ze klein waren? Neen, misschien mijn overgrootouders… ja, het land en zijn natuur is hard voor de mens, maar zijn geloof ook: mensen worden te arm gehouden. Ik moet telkens denken aan wat Frank me vertelde: tien jaar geleden vroeg hij een Tibetaanse monnik in Belgie: “Chinezen brengen jullie onderwijs en ziekenhuizen, jullie hadden dat niet, dat is toch positief”. De monnik antwoordde: “dat had ons volk niet nodig, onze geest was gezond”
Ik was blij dat ik deze morgen om 7 uur zo in mijn schilderen verdiept was dat ik dat gesleur van die vrouw en dat meisje niet opgemerkt heb. Het genot van de prachtige zonsopgang, het proberen vatten in schilderen, snel snel want de kleur verandert zo snel, was enorm. Ik voelde me heel erg gelukkig…
We gaan stappen. Rond het meer zou ons vier à vijf dagen kosten, ik wou dat we die hadden. We moeten nu blij zijn met één dag, een eind en terug.
Een magisch moment dat ik nooit of te nimmer vergeet: eerst wandelen we aan de rand van het meer. Verderop klimmen we even: naar de stupa die we hogerop zien staan. En dan komt het: we komen de heuvelrug op en wat ligt daar letterlijk te schitteren achter de stupa en een eindeloze vlakte: de top van de Kailash! De zon beschijnt de rechterflank waardoor hij goudkleurig schittert maar door een wolkenspel verloopt dat licht heel snel naar de linkerkant. Werkelijk adembenemend mooi. Ik huil. Ik schilder: het doet goed.
Als ik bij Frank kom vraagt hij me waar de ruines van het klooster zouden staan en waar ik naar kijk, naar de schapekeutels? Maar het geeft niet, dat blijken uiteindelijk maar woorden te zijn: ook hij blijkt het intens beleefd te hebben, dit mooie spektakel.
Als we terug aan het meer komen wil hij doen zoals de Indiers: baden in het heilig meer om de zonden van het hele leven te zuiveren. Mij lijkt het te koud maar hij verleidt me en ik ben erg blij dat ik me liet verleiden: het was heerlijk! Als we uit het water komen, komt een raaf aangevlogen, zette zich heel dicht bij ons, op een rots en begon te praten…
We eten wat, rusten en… duiken terug het water in!
We keren terug op de bergrug. Veel, veel verder dan we dachten omdat we een grote omweg moeten nemen om kloven te vermijden. Maar ook hier deert het niet: het is zo mooi, daarenboven ontdekken we een plaats waar lijken verbrand worden. Bij gebrek aan hout gebruiken ze autobanden. Later zegt de gids dat Indiers dat doen, we geloven het niet want er lagen rondom Tibetaanse kleren.
Zij geloven ons niet als we vertellen dat we in het water gingen: ook daarvan blijken velen dood te vallen: te koud. Ik bedenk: te weinig oefening, en Tibetanen zijn gewoon echt bang van water…
Het was werkelijk een prachtige dag, en het vreemde was dat we de hele dag niemand zagen.
We vragen de familie een Tbetaanse maaltijd voor ons te maken. Dit blijkt hetzelfde als gisteren te worden: rijst met groeten, bloemkool: Lieve ik moet aan je denken!, waar veel kerrie bij is. Nu is er ook een beetje gedroogd yakvlees bij.
BADEN IN HEILIG WATER, IN HET PARADIJS
Om 6u30 zien we al tientallen pelgrims voorbij onze slaapplaats passeren, met een zaklamp: die zijn al heel vroeg vannacht vertrokken aan ons eindpunt, hun beginpunt, om onze driedaagse in één dag te kunnen maken. Boeddhisten , Hindoes en Jain lopen zoals wij kloksgewijs, Tibetaanse Bönn – een soort animisme waar nog wel 20% van de bevolking hier zou in gelooft- lopen tegen de klok zodat we ze kruisen.
We horen dat de gestorven Indier op de berg was met zijn ouders. Zoals velen hadden ze hun huis verkocht om deze heilige tocht te kunnen maken! (Ze betaalden nu 9000 yuan – 900 euro- om het lijk naar beneden te brengen: 6000 voor de yak, drie maal 1000 voor drie dragers. Onze Tibetaanse gids reageert verbolgen op die buitensporige prijs.)
Met noedels (ik) en tsampa (Frank) in onze maag beginnen we aan ons laatste stuk: een afdaling met nog meer stijgen dan verwacht door een buitengewoon mooi dal. Frank vindt dat ik vuur in mijn lijf heb. Ja, het gaat goed!
Na aankomst rijdt de gids ons naar het Manasarovar-meer. Een heilig meer een veertig kilometer verderop. Eigenlijk bedoeld om er uit te rusten, net voor de terugkeer en het eind van de reis…
Maar wat een paradijs als afsluiter?! Een droom. Het meer en de omgeving is wondermooi, het gasthuis een sprookje: erg authentiek maar toch netjes, de gastfamilie: een érg knap, vriendelijk koppeltje met vier kinderen. De man schildert tangka’s, hij ziet er uit als een echte artiest.
Te gast bij een erg proper Tibetaans gezin aan hetr meer.
Daarenboven brengt de gids ons naar ‘een natuurlijk’ badhuis met warm water. Het doet ons denken aan een situatie die we ooit in Ijsland meemaakten en waar we erg veel plezier aan beleefden. Hier was het wat beschaafder… het natuurlijk water liep in een versleten gebouw met een kapot glazen dak. In het gebouw: vijf ‘badkamers’. Maar geen enkele badkuip is lekvrij. Toch baden wij heerlijk:gaten werden met sokken dichtgestopt…
Ik breng mijn avond schilderend door aan het meer, tot ik bevries en Frank me binnenhelpt.


