China is Nieuw-Zeeland niet

27 februari, 2008, een bijdrage van Frank | Commentaar (1)

Vroeg of laat moet ik toch nog eens iets schrijven, al is de concurrentie met mijn semi-prof echtgenote verpletterend.
Zondag 24/2: We zijn intussen alweer acht dagen in China, morgen beginnen de lessen van het tweede trimester en sinds gisteren zie je het leven op de campus van uur tot uur terugkeren. Lieve is traditiegetrouw reeds enkele dagen verwoed aan het schilderen, op haar eentje in het immense lege gebouw van de faculteit… Donderdag gebeurde wat we allang vreesden, de bewaker had ’s avonds niet door dat ze er nog was, deed netjes de deur op slot en vertrok. Waren we eventjes gelukkig dat er GSM’s bestonden zodat ze alarm kon geven! Enfin, na een uurtje werd ze bibberend en bang bevrijd uit haar hachelijke positie.
Terugkomen in Shenyang heeft iets. Onze stad alleen heeft meer inwoners dan Nieuw-Zeeland. Na de immense ruimten struikelen we nu letterlijk over de Chinezen; gelukkig hadden we totnogtoe de campus zo goed als voor ons alleen!
Ja, China heeft nog een hele weg te gaan. Vergeleken met een ecologisch paradijs als Nieuw-Zeeland is het hier echt (ver)vuil(d). Niemand houdt zich aan de verkeersregels. De nieuwe gebouwen zien er na een paar jaar al afgeleefd uit- de grauwheid van de winter accentueert dat nog wat; ze zullen hoogstwaarschijnlijk minder lang meegaan dan de oude sloppen die afgebroken zijn.
Maar toch , wat denk je hiervan?
In Nieuw-Zeeland ging de nieuwe camera van Lieve stuk. Wij binnen bij een Canon-dealer in Queenstown; de man bekeek het toestel, zei dat het terug naar de fabriek moest gestuurd worden en de herstelling allicht een drietal weken zou duren. Herstellen van de lens kon niet, men plaatst gewoon een nieuw systeem, kostprijs ongeveer 180 euro.Op garantie moesten we niet hopen, want de breuk van het lensmechanisme wordt door Canon beschouwd als het gevolg van onzorgvuldige behandeling van het toestel. Wij dus maar onze vakantie doorspartelen met een halfwerkende lens zonder zoom. (tot enorme frustratie van Lieve) Terug in Shenyang belde ik naar het telefoonnummer op het garantiebewijs. Slecht begin, een automatisch antwoordapparaat verwees me naar een ander nummer. Ja, het was deze keer de hersteldienst van Canon, ze zouden ons toestel repareren indien we het brachten. Hun atelier is op de zestiende verdieping boven een hypermarkt van computermateriaal in de ‘computerstraat’ van Shenyang. Het gebouw noemt ‘De honderd computers’, maar volgens mij zou ‘Het miljoen computers’ een betere naam zijn voor dit en alle andere gebouwen in deze unieke straat.
Een vriendelijke juffrouw nam het toestel in ontvangst, riep er direct een technicus bij die er even naar keek en beloofde het in orde te brengen. Het was vrijdagnamiddag. Zaterdagnamiddag telefoontje dat het in orde was. Ik mocht er omkomen, ook op zondag. De reparatie was gratis, zonder discussie.

Vandaag zijn we voor het eerst met de fiets de stad ingetrokken. Het stond tot nu toe elke dag stralende zon, een verraderlijke zon die de bijtende noordenwind en de vrieskou camoufleert. Maar op zondag kan niets of niemand ons tegenhouden, dus we gaan per fiets het fototoestel afhalen, een tochtje van een kleine 40 km. Onderweg nog even langs de post om een brief van 600 gram naar Spanje te sturen.; ook de post is hier op zondag open. Het interieur is sinds ons laatste bezoek begin december gemoderniseerd, de uniformen zijn nieuw, de bedienden hebben keurig hun naam op de borst gespeld. Naar hun gedrag te oordelen zijn die bedienden trouwens ook gloednieuw. Onze mooi in een stevige enveloppe met nopjesplastic verpakte zending veroorzaakt meteen consternatie. Collega’s worden erbij geroepen en na enige discussie valt het verdict: dit kunnen we zo niet verzenden. Waarom is onduidelijk maar we worden doorverwezen naar de pakjesdienst. De dame daar gaat meteen aan het werk; ze komt af met een officiële enveloppe, die is helaas wat te klein voor onze zending. Terug discussie maar geen nood, een tweede enveloppe duikt op, de twee omslagen worden opengesneden en keurig tot een geheel aan mekaar geplakt. Nog te klein? Dan maar de boorden van onze enveloppe omplooien en alles vastkleven. Zal deze constructie het tot op zijn bestemming uithouden? Natuurlijk! Alle zijden worden met speciale tape van de Chinese post dubbel afgeplakt en klaar is kees. De operatie kost ons 20 eurocent, 10 cent per enveloppe, en we kunnen weer naar af, naar het eerste loket. Daar betalen we dan de portkosten. Ik probeer na het lange verlof mijn beste Chinees nog eens uit en vraag beleefd aan de dame of we het haar niet te lastig gemaakt hebben. Nee hoor, zegt ze zonder spoor van aarzeling. Hoera, ik kan het nog, ze heeft het begrepen!

Vanavond samen met onze Japanse collega gegeten. De man die van Lieve een schilderijtje kocht voor de geboorte van zijn kleinkind. Een gepensioneerd leraar Engels die hier Japans doceert. Hij moet dit semester Japanse geschiedenis geven, een nieuw vak voor hem. Geen sinecure, Chinezen en Japanners hebben erg verschillende interpretaties over de Japanse verovering van grote delen van China voor en tijdens de tweede wereldoorlog; het nationalisme is nog altijd, of wordt opnieuw heel sterk in Japan. Maar onze Japanner is een vakbonds- en vredesmilitant met communistische sympathieën, hij zal het wel kunnen uitleggen, denk ik. In het restaurant worden we meteen herkend door één van de kelners. Hoe gaat het nog met de Belgen? We waren hier in oktober met een tiental Belgische studenten toevallig op een avond waar een programma van revolutionaire liederen en dans gebracht werd; op het einde van de avond vroegen ze ons een Belgisch lied of dans naar voor te brengen; we konden er niet onderuit en redden ons met een soort vogeltjesdans of smurfenlied. Feit is dat de man het niet vergat en meteen begon te lachen toen hij ons herkende… ai…

Dinsdag 26/2
Gisteren aten we met mijn Chinese collega’s. Een jonge vrouw van de directie zag er witjes uit. Ze had hartproblemen. De ambulance werd erbij gebeld. We waren verrast dat die hier zo snel ter plaatse was. Pijnlijke start voor deze dame.

Vandaag vertelde onze tafelgenote dat haar ‘lentefeest’ zoals het hier noemt , verliep zoals bij alle Chinezen. Dagen samen met familie, samen koken, eten, televisie kijken en, wat ze niet leuk vindt: mahong spelen. Er wordt voor geld gespeeld.
Lieve vraagt of er dan niets met vrienden gevierd wordt, oudejaar, ofzo. Neen, dat wordt hier niet gedaan. Er wordt zelden gefeest met vrienden. Trouwens zijzelf heeft het moeilijk met vriendschappen hier omdat er veel te veel geroddeld wordt.
Dat kunnen we ons voorstellen, Chinezen zijn heel erg nieuwsgierig. En gezien ze , zo zegt de tafelgenote, niet makkelijk over eigen gevoelens praten is roddelen een goed onderwerp…

Alle post die ons toegestuurd werd komt er nu toch met mondjesmaat door, je merkt dat de feestperiode hier afgelopen is.
Al weten we niet goed waar we het hebben: het lentefeest is twee weken voorbij, we hebben al het lantaarnfeest gevierd met het eten van afgrijselijk deegballetjes gevuld met slijmerige zoetigheid, en het vuurwerk afsteken blijft maar doorgaan, elke avond is het hier ‘Temse in de wolken’, of nog luidruchtiger. Of heeft dit niets meer met de feestdagen te maken en is het omwille van de opening van de nieuwe winkel op de campus, vlak voor ons appartement? De kleine winkeltjes er vlak onder zullen niet lachen: boven opende vanavond een soort supermarkt waar vorig semester nog een eetzaal met eetstalletjes was. Niet dat het aanbod ook maar in iets anders is dan dat in de kleine winkeltjes: rekken softdrinks, noedels, snoep, koekjes, allerlei cosmetica, poetsgerief, behaatjes en wat andere kledij,… geen verse groenten, uiteraard maar wel jammer. (studenten hebben geen kookfaciliteiten) De dame beloofde wel chocolademelk te verkopen in de toekomst en dit is nieuw! Allerlei andere melkdranken, met cocos, koffiesmaak, allerlei fruitsmaken, zijn makkelijk te vinden maar chocolademelk is blijkbaar té exotisch.

Ik heb er mijn eerste lesdag opzitten. Niettegenstaande het beginnen sneeuwen is begon de klas zonder hinder. Vrijdag geraakte ik op het secretariaat eindelijk aan het lessenrooster, niet echt te vroeg. Tien uren per week, een herenleven; heimelijk vraag ik me wel wat af of dat niet komt door tanende belangstelling in mijn ‘know-how’?
Ik heb vier grote klassen, van vijftig leerlingen. Daar moet ik Europese cultuur aan geven. Daar gaat mijn plannetje om interactief te werken… En toch valt de eerste les mee. Bij wijze van prikkeling startte ik de les met Spaanse zigeunermuziek. De ene klas vond het maar niets, dat andere klas kende dit wel. Zo zal ik elke week een andere muziekvorm uit een ander land laten horen. Eigenlijk had ik liever met fotomateriaal sfeer gewerkt en mijn ding uitgelegd maar hoe spijtig: geen projector, geen scherm, geen computer in deze lokalen. De klas waar ik mijn enige les ‘international business ‘ moet geven, is daarentegen wel volledig uitgerust; daar had ik het juist niet nodig! Ik ga erover praten met de secretaris van de faculteit. ‘Daar is niets meer aan te doen, dat had je op voorhand met de decaan moeten bespreken’. Vorig semester gaf hij me precies hetzelfde antwoord, stomweg vergeten! Bij gebrek aan interactiviteit en multimedia wordt het een hele les verhaaltjes vertellen en vragen stellen, over de Grieken, de christenen in Europa, de opkomst van het kapitalisme en de industrialisering,… en natuurlijk ook wat over de zigeuners; dat schijnt hen nog het meest te interesseren. Mijn favoriete vraag is: wanneer ontstond het Christendom? De gekste antwoorden, ook vorig jaar al; 200 jaar?;maar nu zit er in één klas toch een half genie die mij onmiddellijk antwoordt: in het jaar nul. Blijkbaar is er daarbuiten geen kat die zich realiseert wat het betekent wanneer ze in het Engels 2008 AD schrijven. De Chinezen weten echt niet veel over Europa (dat het omgekeerde ook waar is mocht ik vroeger in Europa al ondervinden).

Ik tien uren per week, onze buurman Dan 26. De man zat ooit nog in een klooster in Amerika, maar zegt dat hij nu in de States niet meer kan leven. Hij voelt zich thuis in China. Om dan toch maar wat geld te kunnen sparen klopt hij hier overuren als gek. Overuren? Zijn programma is meer dan twee fulltimes! Hij blijft wat raadselachtig, we krijgen er niet uit wat hem nu echt zo aantrekt in dit land.

Het aantal buitenlandse leerkrachten is overigens verminderd dit semester. Budget op! Er zijn enkele Chinese leerkrachten met een doctoraatsdiploma teruggekomen uit het buitenland, en ja, die kosten wel wat…Allicht heeft de school gelijk dat ze voorrang geven aan hun doctors boven Westerlingen met op zijn best een licentiaatdiploma.

Woensdag 27/2/08
Bijna geveld door gan mao, de Chinese griep die de hele winter door het contingent actieve Chinezen bij bosjes uitdunt. Gisteravond zo slap als een vod, pijn overal, geen eetlust, slecht geslapen , maar ik bied moedig weerstand en overwin ook deze keer de verrassingsaanval. Vanmorgen naar de klas gesleept, gelukkig slechts twee uurtjes. Ook het weer helpt; dat is vandaag omgeslagen, we hebben nu lentetemperaturen en de opgehoopte sneeuw ligt in grote plassen.

In de refter ontmoeten we een vrouwelijke collega waar we nogal close mee zijn. Ze is zichtbaar niet in form. De dame is altijd heel trots op de job van haar echtgenoot: hij werkt bij de onthaaldienst van het leger en moet belangrijke bezoekers van Beijing of andere provincies ontvangen en onderhouden. Nu is het haar allemaal te veel. Avond na avond trekt hij met bezoekers naar restaurants, karaoke en massagesalons. Dan komt hij midden in de nacht dronken thuis, kotst de overdaad aan drank en eten uit, zij mag het opruimen en ’s morgens gaan werken. Allemaal voor het werk. We wisten uit ervaring al wel dat Chinezen speciale opvattingen hebben hoe je iemand een gezellig avondje uit bezorgt, maar dat het zo een vaart liep…

Het mierenschandaal, de Chinese Lernaut en Hauspie, waar ik in november al over schreef heeft nu ook zijn weg gevonden in de Vlaamse pers. Catherine Vuylsteke die nooit een kans laat voorbijgaan om China zwart te maken, smeert het lang en breed uit in de Morgen. Waarover gaat het? Een afzetterij waarbij honderdduizenden kleine spaarders (gepensionneerden, werklozen, onteigende boeren) in onze provincie hun spaarcenten verloren. Ze moesten investeren in een mini-mierenkwekerij in hun appartement, en bleven uiteindelijk achter met waardeloze bakken mieren.Voor de fraudeexperts: een piramideschema; je vult een schuldenput door een diepere te graven, en zo verder tot je tenslotte niet meer verder kan. Het verlies zit ergens tussen de één en de drie miljard euro – in China is immers niets klein. Vorige week las ik nog een artikel over de processen tegen de hoofdschuldigen, het beroep van één van hen tegen de doodstraf was juist verworpen. De zaak werd in de Chinese pers niet zo breed uitgemeten als bij ons zou gebeuren, maar om dat een doofpotoperatie te noemen zoals Vuylsteke doet? Natuurlijk rijst de vraag of echt niemand van de overheid hier op voorhand van zulke grootschalige fraude afwist.

Terug!

21 februari, 2008, een bijdrage van Lieve | Comments (2)

How ya goin’ luve?

Hi dear sheila’s, blokes, (zo worden in Australië sommige vrouwen en mannen genoemd, aan u om er je er iets bij voor te stellen) and mates (zo wordt je telkens aangesproken) ! Here we are again! What a rip-snorter! (slang voor: het is fantastisch) But w’ere flat out like a lizard drinkin’ (very busy) We’re up the creek! (we zaten in de problemen) I looked like a stunned mullet! (ik was geschokt) But… now i can ask you: wanna cuppa? (maar ik ben er klaar voor: zin in een kopje thee?) What’s the latest goss? (heb je pittig nieuws?) How ya goin’ luve? (hoe gaat het met jou?)

Na vier vluchten in vier dagen (van Cairns naar Sydney, van Sydney naar Aukland, van Aukland naar Shanghai, van Shanghai naar Shenyang) landen we goed en wel weer op Chinese bodem! Na anderhalve maand zijn we weer ‘thuis’.

Bleek dat bloggen tussen regenwouden, op gletsjers, langs verlaten kusten, tussen vulkanen, tussen vissen en koraalriffen en in tropische oerwouden niet makkelijk is! We hébben geréisd en jawel, màteloos genoten. Is het omdat dit landen zijn waarvan we dachten ze nooit te kunnen bezoeken omdat ze zover af liggen of omdat we ons zo bewust zijn hier nooit te kunnen terug komen of is het omdat we ouder worden en het unieke van dit alles beseffen: we genoten mateloos…prachtige landen. Neem het me niet kwalijk: behalve dat ik voor jullie allen BIJNA tot een verre herinnering ergens in het verleden behoorde en Pietje de dood even in ogen keek, verliep de reis alleen in superlatieven… ik kan niet anders dan met een hart vol dankbaarheid in superlatieven schrijven!!

Ik kan je wel zeggen dat ik leidt aan desoriëntatie. Om te beginnen brachten de reclamebordjes ‘laatste zomersolden’ me steeds van mijn stuk. Als je het dan gewoon wordt om over zomer te praten dan begon ik me te vergissen in maand en had ik het steeds over augustus in de plaats van over januari… Daarenboven rijden ze hier links, staat dat stuur dus aan de verkeerde kant, moet je een rond punt omgekeerd nemen, kijk je telkens naar de verkeerde kant als je wil oversteken… je went er niet aan. Gezwegen van de zon die in de verkeerde richting draaide! Het tartte MIJN natuurwet! En nu zitten we hier terug IN volle winter en wordt ons nu, eind februari (mijn augustus) constant gelukkig nieuwjaar gewenst…

Daarenboven kwamen we aan in Auckland, het noorden van het noord-eiland van Nieuw Zeeland op 30 december, en vierden noch oud, noch nieuw.

Dat we niet vierden lag alleen aan ons.

Toen we na een vlucht van elf uur landden wisten we absoluut niet hoe we de reis zouden aanpakken. In de luchthaven ritsten we een foldertje mee van ‘New Zealand hiking’.

De tocht tussen luchthaven en stad is weelderig groen, de bouwstijl en alleenstaande huizen stralen de sfeer van Amerika uit.

Na een dutje (we overbrugden een nacht) besluiten we te bellen naar het nummer op dat foldertje: er staat een tiendaagse hikingtour op die op vijf januari vertrekt. Bleek dat die volzet is maar we kunnen op één januari stappen langs de westkust op het zuideiland van Nieuw Zeeland. Daar die tocht op ons verlanglijstje staat, alleen voor veel later, gooien we meteen onze vage plannen overhoop en bellen meteen voor een last minute vlucht naar het zuideiland! Zo is de toon voor de hele reis eigenlijk gezet: ons aanpassen aan gegevens en invallen…

Dat we maar één avond in Auckland doorbrengen lijkt ons niet echt een gemis, al is de havenbuurt en het stadje sfeervol. Maar het Engels hier geeft me wel een schok: ik ben 46 jaar en besef nu pas de impact van het kolonialisme! Al sta ik hier letterlijk voetzool tegen voetzool met jullie in België: dit is niét de andere kant van de wereld; China dat nooit volledig gekolonialiseerd werd, dat is echt de andere kant van de wereld. Hier is geen spoortje te ontdekken van oorspronkelijke bevolking: dit is Engeland; in het binnenland is het the Far West… Al ben ik van plan te genieten van het natuurschoon mijn nieuwsgierigheid naar het verleden is geprikkeld.

Een dag na aankomst vliegen we dus alweer, naar Nelson en zo komt het dat we oudejaarsavond even vieren met het lief koppel van onze b&b (al staat die kerstboom in de zon er toch maar lullig bij…)en vroeg in bed mogen om toch een beetje in vorm te zijn voor een tiendaagse hiking, jetlag of geen jetlag!

Op één januari maken we kennis met onze gids Chris, een 48-jarige veearts die het vee-artsen niet meer zag zitten en nu bloeit en straalt omdat hij kan vuurtjes stoken voor ons avondmaal, spelletjes spelen met ons, ons druipend van de regen door het woud kan leiden, omdat hij er, kortom de brui aan gaf!

Een 42 jarige Australische ex-prof tennisspeelster, Rosie en een 28 jarige Duitse interieurarchitecte, Miriam die in Duitsland geen werk vond en immigreerde naar Sydney maken deel uit van ons groepje. (de eerste van de vele economische migranten uit europa die we tijdens deze reis zullen ontmoeten! Een vreemd fenomeen).

Al snel wordt ons duidelijk dat we sommige dingen verkeerd inschatten: hier in het westen is het veel kouder dan verwacht en… deze tocht wordt érg avontuurlijk. Mijn oren tuiten bij het horen van de woorden ‘buiten slapen’. Ik aanvaard dankbaar de warmere slaapzak van Chris, althans voor deze nacht, later zal dit niet meer nodig zijn.

Zo trekken we op nieuwjaarsdag door het regenwoud, stappen bibberend van schrik over een hangbrug en kunnen na enkele uren reeds constateren dat een rugzak dragen niet in dank afgenomen wordt door mijn knieën… Gelukkig voelt Frank heel snel de ernst hiervan, hij neemt alles van me over! Ik ben hem dankbaar.

Het bos evolueert van gewoon naar prachtig. Ontzettend natuurlijk. Zoveel mossoorten zag ik nog nooit.

En jawel, dit wordt mijn eerste nacht onder de sterrenhemel: we slapen onder een overhangende rots.

Bij aankomst in NieuwZeeland begrepen we de overdreven controle aan de douane van de schoenen en het kampeergerief niet. Net zomin als de snuffelhonden. Maar nu Chris vertelt dat hier inderdaad geen spinnen, noch ander ongedierte zit dankzij de controle ben ik dankbaar! Later, in een museum zien we inderdaad welke dieren hier allemaal niet zijn , dankzij hun streng beleid. Indrukwekkend. Hun grote zorg nu is het inperken van het oprukkende Didymo, een slijmerig alg in hun rivieren en meren. Ze strijden dapper.

Het groepje laat mij schilderen: zij koken. Heerlijk. De avond wordt afgerond met een glühwein, alles op de rug meegesleurd… nieuwjaar is in stijl ingezet.

Het slapen onder de blote hemel was inderdaad ietsje fris, zei Frank. Ik had er in mijn warme slaapzak geen last van en sliep als een roos.

Gelukkig, want het wordt een dag van enorm klimmen. En stappen over een lange ‘kamelenrug’ waarbij we bijna weggeblazen worden door de wind. Oja, Lutje, wat denk ik aan onze tocht destijds in Ijsland! Had ik toen niet gezegd dat het de laatste maal was dat ik zoiets deed?

Maar eenmaal boven is het geschenk zo mooi: een enorm panorama!

De nacht wordt doorgebracht in een lief vakantiehuisje, in één kamer, uitkijkend op een dal waar twee rivieren samen komen.

Intussen weet ik wat ‘sandflies’ zijn. Onze versie van muggen, maar de monsters zien eruit als hele kleine vliegjes. Hun beten blijven nog veel langer en jeuken minstens zo intens. Na één avond is Frank de ongelukkige eigenaar van 100 beten op zijn benen! Gelukkig zijn ze steeds onschadelijk.

We stappen niet steeds. Af en toe komen we terug aan de wagen en gaan dan eten inkopen en rijden we een stuk verderop. Zo passeren we vandaag door een dorpje dat in 1968 totaal platgelegd werd door een aardbeving: een verhaal dat hier geregeld terugkomt. Nieuw Zeeland ligt aan een breuklijn…

We komen aan een plaats waar een grote groep zeehonden en zeehondjes liggen. Schattig!

De muziek in de wagen van Bob Marley, ‘don’t worry, everthing gonna be all right’ en van Meat Love ‘Paradise’ maken deel uit van het geheel. We beseffen dat we door het paradise rijden.

De wagen wordt weer achtergelaten voor een paar dagen. Het Paradise verrast me nu door prachtige boomvarens: ze groeien op hoge stammen van wel vier meter hoog. Als de zon erop schijnt en jij bekijkt de raderende vorm van onder uit dan droom je weg in een web van frisgroene varenbladen. Prachtig! Ik kan nu al beginnen piekeren over hoe ik dàt groen kan vatten in een aquarel.

We gaan ook diep in een grot. Donker is dat.

Daar we off-track gaan moeten we over grote gladde stenen klauteren om uiteindelijk bij de rivier uit te komen. Hier leren we hoe we een bergrivier moeten doorkruisen: in elkaar haken, mekaars rugzakriemen achterom vasthouden, borstriem van de rugzak los zodat je je rugzak kunt afgooien bij nood, tegen de stroom in stappen. We doorkruisen de rivier wel zeven keer! Een keer zit Frank er tot over zijn lenden in, de onderkant van de rugzak hangt in het water, gelukkig zonder veel erg!

In de verte zien we ons ‘hotel’ voor de nacht: ‘the grand ballroom’: een gigantische overhangende rots!

In het donker zien we glimwormen glinsteren.

Tijdens de nacht wordt Chris wakker door possums (soort wasberen? De possum komt uit Australië, kweekt als konijnen en is niet geliefd omdat hij waardevolle bomen kaalvreet) die ons voedsel willen opeten… wij slapen allemaal rustig door. Chris gelooft zijn ogen niet en voelt zich de eenzaamste mens ter wereld! Aan ons zal hij niet veel hulp hebben, zoveel is duidelijk!

In de morgen worden we wakker door nooit eerder gehoorde vogelgeluiden. We zijn blij dat de regen, die net bij aankomst startte, opgehouden is.

Ook nu doorkruisen we de rivier wel 9 keer om uiteindelijk uit deze kloof te stappen. Ze staat als een hoogtepunt van de tocht op mijn netvlies gebrand.

Na vijf uren stappen en uren rijden, zijn we blij de mogelijkheid te hebben een koffie te drinken op een terrasje. Vlak daarbij kunnen we bijzondere rotsformaties bekijken: pancakerotsen: ze hebben hun naam niet gestolen. Ze bestaan uit laagjes dikke ‘pannenkoeken’. Dat die rotsen onze honger naar zoets stimuleert, begrijpt Chris: de volgende ochtend, na een nachtje in tentjes, eten we overheerlijke pannenkoeken.

Intussen is de groep uitgebreid met Jan, een Nederlander en Lee en No, twee Japanse jongens. Dat we met dit trio veel plezier zouden beleven is meteen duidelijk!

Vandaag wordt het vijf uur stappen op de Franz Jozeph gletsjer. Aan de ingang waar je schoenen en klemijzers leent, krijgen ze me haast zo bang dat ik niet durf meegaan: ze doen ons een papier ondertekenen dat we geen gezondheidsproblemen, noch gewrichtsproblemen hebben… het liegen staat zo op mijn gezicht te lezen! Maar Frank stelt me gerust als hij me uitlegt dat dit een kwestie van verzekering is… op zijn Amerikaans, hoor!

Het wordt een erg mooie gletsjerwandeling. De enige die zich misstapt en in half-ijsrivier stapt is ondertekende maar verder geen probleem. De spleten zijn indrukwekkend, het blauw blauwer dan gletsjerblauw! De zon laat het stralen.

Maar wat hier een fenomeen is: de gletsjer loopt tot in het regenwoud! Uniek in de wereld.

Na een nacht in de tent aan zee gaan we kanovaren. Ik ben al blij dat Frank en ik samen in een kano kunnen. We varen eerst over de lagune dichtbij de zee voor we de rivier die door het regenwoud loopt invaren. Het is niet gevaarlijk, er is niet echt stroom. Daardoor is de weerspiegeling van de planten op het wateroppervlak zo mooi! Veel fluitende vogels, enkele witte reigers. Omdat het me lijkt alsof we iets te snel op de oever afstevenen steek ik mijn fototoestel té snel weg waardoor ik de lens forceer! Mijn nieuwe camera, mijn derde in één jaar: gebroken! Ik mag al blij zijn dat ik nog kan fotograferen, weliswaar zonder zoom… je zal me heel vaak horen vloeken en sakkeren! Dit is zo spijtig!

Of we de korte of de lange lus varen? Een overbodige vraag voor Frank: de lange natuurlijk. Maar bij aankomst hangen onze armen zowat om onze enkels: vooral het stuk terug langs de zee vroeg zoveel inspanning (tegenwind!), het lijkt soms dat je niet vooruitgaat.

We zijn verrast dat Lee nog later als wij aankomt: blijkt dat hij toch wel kopje onder ging zeker? Hoe hij dat deed is ons een raadsel, hij is trouwens een sportman…

Als de groep in de namiddag een wandeling maakt laat ik hen gaan: ik ben snipverkouden en ga me verwennen in de schaduw van wat bomen, het is erg warm nu, met een boekje dat ik niet eens zal opendoen! Eindelijk eens rust, zalig!

’s Avonds leren we een Maori gerecht kennen: Hangi. (voor het eerst horen we iets van het oorspronkelijke volk. Over zién is hier geen sprake) In het zand wordt een groot gat gegraven van anderhalve meter doorsnede, 40 cm diep. In het gat wordt hout gebrand. Als dit eindigt leg je er 16 ronde stenen op die daar een uur moeten heet worden. Intussen wikkel je kip, lam, biefstuk, grote stukken aardappel, pompoen, wortelen, corn, uien, pepers, champignons enz. in aluminium. Dat leg je op de stenen, over het geheel leg je natte handdoeken en je bedekt alles met zand. Twee uur later heb je een feestmaal!

De volgende morgen mogen we de tenten oprollen in de gietende regen. In tegenstelling met wat we dachten gaat het hier niet over een tropische regenvlaag van een uur: als het regent plenst het voor dagen. Chris had met zijn vorige groep tien dagen regen!

Daar de rivier te gezwollen staat om te doorkruisen worden de plannen wat aangepast: onze driedaagse tocht wordt anders opgesplitst waardoor we nu een kleine wandeling zullen maken, maar morgen een erg zware tocht voor de boeg hebben…

Ja, na zo’n regenbui staat een regenwoud wel echt te glanzen en te parelen! Die twee gaan natuurlijk hand in hand! Stel je voor dat je een regenwoud alleen in de zon ziet… het wordt dus een prachtige, natte wandeling. Alles en ook wij voelen ons als een vis in het water: we zijn goed voorbereid op regen.

De sfeer werkt inspirerend: ik ‘zie’ hoe ik het groen moet vatten en ga er bij aankomst aan een uiterst schattig, zowel buiten als binnen witgeverfd hutje, meteen tegenaan: het wordt mijn mooiste aquarel… ik voel me erg blij.

In het hutje wordt erg veel gelachen: men speelt een spel waarbij je met twee teerlingen moet gooien: als je twee gelijke ogen hebt moet je snel, snel voor een ander twee dezelfde ogen gooit , handschoenen aandoen, een muts opzetten en met vork en mes een stuk chocolade eten! Als blijkt dat No nooit zo ver komt dat hij echt die chocolade in zijn mond kan stoppen, snel ik hem ter hulp: ik ben hier handiger in en stop mijn buit in zijn mond! Er wordt enorm gelachen, het ijs is helemaal gebroken.

Maar Jan ‘verbrodt’ de pret: hij komt aandraven met een spel dat ‘black magic’ heet: we breken er voor de rest van de reis bijna elke avond ons hoofd op voor we het doorhebben! Schitterend!

Op 8 januari stappen we 8 en een half uur. Gelukkig is de regen opgehouden, al lopen we de hele tijd met natte voeten daar we veel water moeten doorkruisen maar zoals we al eerder ondervonden: met goede sokken valt dat reuze mee. Het wordt een tocht tussen het woud, af en toe een knap panorama, om te eindigen in zàlige hotpots, zomaar vrij en blij buiten in de natuur! Ja Lutje, dacht jij ook dat alleen jullie dat in Ijsland hadden? Mooi niet dus, ze hebben ze hier ook! Dat wij tweetjes, door mij natuurlijk (ik heb pijn gehad en weet weer wat het betekent om je tanden op mekaar te klemmen) anderhalf uur later arriveerden, is in het warme water snel vergeten.

Deze track is blijkbaar erg populair: we slapen in een grote hut tussen 31 andere mensen. Maar iedereen is stil, het valt reuze mee.

Om halfzeven springen we nog eens in dit natuurwonder. Vanuit dit heerlijk bad geniet ik van een adembenemende zonsopgang. Ik denk dat ik dankzij het baden quasi zonder pijn de berg kon afhollen, zonder stokken zelfs! Fenomenaal! Alleen op het einde van de zes uur, lieten de knieën zich weer voelen.

’s Avonds bereidt Chris een ‘wilde’ zalm voor ons: lekker, niet te vergelijken met de gekweekte zalm. Het sausje erbij moet je eens uitproberen: mosterd+rijstwijn+sesamolie+bruine suiker+soyasaus.

De Japanse jongen doet de afwas, om hen te danken masseert Myriam zijn schouders onder het afwassen, meteen ga ik haar schouders masseren, en ogenblikkelijk komt iemand die van mij behandelen zodat we uiteindelijk een keten vormen waarbij de één de ander masseert. Daarbij kreunen we allen om het hardst: Chris komt binnenstormen om te zien wat hier aan de hand is: hij gelooft zijn ogen niet! We gieren het uit!

In dezelfde sfeer staan we op. No komt binnen na een douche, Lee zegt ‘beautiful’, No antwoordt met een gestreken gezicht ‘I know, I know’. Humor van de bovenste plank, hebben die twee! En Jan vult hen zo mooi aan…

De autotocht brengt ons via de prachtige rit langs de westkust (hier geniet ik mateloos van) naar het zuidelijk einde van de weg:een haven/vissersstadje dat ooit heel ambitieus was en nu nog een half dozijn huizen telt. Genieten van een groep spelende dolfijnen zorgt voor nog meer afwisseling in het verhaal. Verderop is alleen nog een gigantisch natuurpark- 30% van Nieuw-Zeeland is al uitgeroepen tot park! We rijden nu door het binnenland, grote knalblauwe meren links en rechts. We duiken in een koude rivier. De varens en bomen verlaten ons bruusk, een landschap waar ik nog meer van hou komt in de plaats: verlaten, ruw , dor, kaal.

Queenstown is de toeristische hoofdstad van het zuiden; het ligt aan een uitgestrekt bergmeer, omringd door ski-oorden- jaja! Hier hebben we ons ‘laatste’ avondmaal. Nadat iedereen incheckte in een normaal hotel, vreemd doet dat, ontmoeten we elkaar in een normaal restaurant. We eten er voor het eerst heerlijke lamschenkel. Bij het afscheid wordt ik bedankt om de copiloot te zijn van Chris: ik moest hem met gebabbel wakker houden: we waren een geweldig team samen! Hij begreep mijn Fleminglish perfect, ik zijn Nieuwzeelandsengels soms minder, maar dat stoorde niet! Als ‘garbish-girl’ (ik moest de vuilnis verzamelen en regelen) kreeg ik minder punten.

Eindelijk eens een kamer voor ons twee! Dat werd zowat tijd!

We logeren in hetzelfde hotel als Chris: hij verwacht er twee dagen later zijn volgende groep. We namen ons voor de jongen niet te storen en te laten bekomen van deze groep. Maar hij kwam ons zelf vragen om nog een dagje samen op te trekken, kun je je dat voorstellen? Wat een energie! We bezoeken Arrowtown: een schot in de roos. Het stadje is OUD:In 1855 begon hier dé goldrush! Echt oud dus voor Nieuw Zeeland In die tijd moet het hier zowat China vandaag geweest zijn: een sfeertje van het-kan-niet-op en bouwen maar! Er was hier zelfs een kleine China-town. Nàtuurlijk op een véél kleinere schaal, ik weet het! Vooral de tijd dat het duurde was wel erg kort: in 1863 was het al afgelopen!

Het stadje is er eentje uit de boekjes, zo’n schattige houten huisjes! En de winkelstraat, ook mooie houten huisjes maar dan in een rij, charmant. De luifels afgewerkt met ijzersmeedwerk die schaduw geven zijn enig. Ik smelt! Al weet ik weer niet goed wat die knappe kerstversiering hier doet bij 30 graden.

In het museum zien we hoe het er hier aan toe ging. Ook hoe men de vrouwen in het westen overtuigde over te komen: ze hadden ze hier nodig! Dat volk van overal bouwde hier een wereld op als thuis…

Er liep ook een tijdelijke tentoonstelling van Brian Milliard: schildert aquarellen waar ik niet goed van ben! Durf ik nog een aquarelpenseel vast te nemen?

’s Avonds leren we de grote groene (slaat op de schaal, oef) Nieuw Zeelandse mosselen kennen: zo mooi dat die zijn, én lekker…we kraken een wit wijntje: de witte wijn hier bekoort me geweldig. Het fruitige van hier staat de witte wijn goed.

Vandaag nemen we ook echt afscheid van Miriam. We hebben een afspraak op dertig januari op de trappen van het operahouse in Sydney, als dat niet spannend is!

Ik probeer mijn ouders te bellen. Of ik had geen telefoon in de buurt of de 12 uur tijdverschil maakt het ook niet makkelijk. Frustrerend, ik voel me eensklaps wél aan de andere kant van de wereld: het lukt niet! Ik hoor mama wel duidelijk zeggen ‘misschien is het onze Lieve wel’: haar stem klinkt vrolijk, dat stelt mij gerust. Nu maar hopen dat zij zich geen zorgen maakt.

Vanaf nu staan we er echt alleen voor. We kopen een tent en een kookfornuisje, slaan eten in, huren een wagen en vertrekken! Het links rijden is tricky! Maar Frank doet het verbazingwekkend goed voor iemand die al zestig jaar niet goed wijs geraakt tussen links en rechts… misschien is net dat nu zijn geheim!

Als echte globetrotters rijden we door ‘wildwest’ landschappen: kaal, onherbergzaam, eindeloos. Veel schapen, veel knalgele braam. Als we een gehucht tegen komen stoppen we en kopen een ‘takeaway’ koffie: dit vind ik echt reizen: met zo’n grote kop koffie terug de wagen in en rijden maar… de hele wereld is Parijs!

On einddoel voor vandaag zijn de Fjordlands, een stukje van het beste Noorwegen. Er komen grote grijze wolken opzetten en wordt het een stuk kouder. Dit is één der natste plekken ter wereld, hoorden we! De hele sfeer verandert eensklaps. Toch gaan we op de Key summit wandelen. We klimmen door een bos omhoog om uiteindelijk een prachtig uitzicht te hebben. Dat we dat laatste alleen maar mogen fantaseren is duidelijk: we zien nauwelijks een meter voor ons uit. En toch wordt het onvergetelijk: we komen in een veen gebied terecht dat er nu heel sprookjesachtig uitziet. De vreemdgevormde bomen vol mossen en de moerassen waren de tocht meer dan waard.

Frank is als een jongen in zijn nopjes als hij aan de rand van een ijskoud meer, tussen de bergen waar wolken flirten met elkaar, zijn gloednieuwe tent kan opzetten.

Ik moet mijn verstand samen houden om te koken in één klein potje: ik inspireer me op de tocht met Chris: gelukkig zag ik hem bezig want ikzelf ben in China het koken, laat staan westers koken helemaal afgeleerd. Ik aap hem gewoon na en dit geeft heerlijke resultaten.

’s Morgens duikt Frank dat ijskoude water in, en ook hem moet ik na-apen natuurlijk! Maar ik blijf maar één minuut in dat water, mijn vagina vriest gewoon dicht!

We willen vandaag een boottocht maken op Milford Sound, de hoogste fjord ter wereld, 1500 meter: zou heel mooi moeten zijn, tussen de bergen. Als we die richting uit rijden begrijpen we waarom het water zo koud was: we zitten vlak naast een gletsjer, de sneeuw komt tot aan de baan! En dat we niet veel van Milford zullen zien is duidelijk: mist speelt parten.

Bij het wachten aan het rode licht voor de tunnel verschiet ik me een kriek: een enorme vogel komt op de auto springen. Het is een kea, lijkt op een grote papegaai; keas zijn gewend aan mensen en proberen overal te schooien.

De tunnel is lang en eng: zo met de hand uitgehouwen, slecht verlicht.

Tijdens de boottocht staan we als enige op het dek, regen of niet: we zijn goed gekleed. De sfeer is erg mysterieus: we weten niet wat we missen maar dit is mooi! Als we aan zee komen en terugkijken in de kreek waar we uitkomen begrijpen we perfect hoe de grote navigator Coock deze kreek kon missen.

In de terugweg vaart de boot tot vlak bij het punt waar een waterval zich in het water stort: ik sta net op de punt van het dek en nijp mijn billen dicht! Wat een spektakel! Boven me die neerdenderende waterval, onder me een knap staaltje natuurschoon: water dat in cirkels uiteenspat.

In Te Anau, uren verderop, zoeken we de boot die ons naar een grot moet brengen waar we glimwormen kunnen zien, dat leek me de moeite om te doen. De tocht erheen is verrassend, ook door de mooiste regenboog die ik ooit zag. De grot op zich is knap, er vloeit een rivier door, maar die glimwormen? Ze schitterden als een sterrenhemel! Zoveel , zo helder! We kunnen zelf hun ragfijne draadjes zien hangen: allemaal pareltjes onder elkaar, ze vangen er motjes mee. Erg tolerant zijn de beestjes niet: als de buur te dicht komt wordt hij opgegeten.

De worm zelf verandert in een vlieg die niet kan eten: hij leeft alleen om eitjes te leggen en dood te gaan.

Die nacht slapen we in de lelijkste, allen veel te dicht bij elkaar, maar best uitgeruste camping die ik ooit zag. Dat laatste valt mee, gezien het regent. Dus eigenlijk hebben we geluk…

Gezien de Keppler wandeling die we wilden maken volboekt is (voor je hier gaat wandelen moet je je aanmelden en er wordt maar een beperkt aantal wandelaars toegelaten. De hutten zijn klein), kiezen we een alternatief.

Maar eerst eten kopen voor enkele dagen, want we gaan trekken.

Hier leer ik het Nieuw-Zeelandse begrip voor bakery kennen: al even erg als in China: alles behalve brood. Als je dat wil moet je naar een grootwarenhuis. Die hebben vaak een bakker, een echte. En met geluk bakt hij ook goed brood. Je kunt steeds tientallen soorten zacht watten brood vinden; dat wel. Het is echt niet toevallig dat je hier veel gigantisch dikke mensen ziet… het aanbod in voeding is vettig, zoet, ongezond.

We rijden een heel eind verder langs prachtige landschappen tot aan het Manowai meer. Dat de kampeerplaats er verlaten en druilig bij staat zal ons niet tegenhouden.

We kamperen hier en moeten een keuze maken tussen stappen naar een verlaten meer waar niemand zal zijn of naar het meer waar Chris en zijn nieuwe groep hoogstwaarschijnlijk zal zitten, wellicht de mooiste wandeling. Maar we kiezen voor verlatenheid.

Na zes uur steeds maar klimmen door een enorm moeilijk bos, verliezen we haast de moed. Omvergevallen bomen zorgen ervoor dat we het pad constant missen. We beseffen ook dat we weinig water mee hebben. Als je eerst om het half uur en dan om de 15’ en dan om de 5’ op je uurwerk kijkt gaat het niet echt goed met je. Daarenboven ziet Frank de stroom opwaarts stromen terwijl hij moest neerwaarts stromen. We beginnen iets te vermoeden… en jawel, na zes uur zien we een aanduiding: we zitten fout! Maar als we hier verder stappen komen we… aan de hut met Chris en Co terecht! Niet te geloven: we menen de oorzaak te kennen: bij het begin stonden we aan de wegwijzer nogal te praten en te draaien. En zonder verder goed te kijken zijn we beginnen stappen naar links, zoals het hoort, maar wellicht verkeerd door ons gedraai!

Na zeven uur en doodmoe, drinken we wat, herpakken we ons, kwestie van er een beetje voor te komen als we aan de hut komen! De groep ziet ons al komen: Chris vliegt op ons af met open armen: het weerzien is echt warm!

En we zeggen niet neen, als hij ons voorstelt om de volgende dag de korte wandeling terug te nemen, samen met zijn groep, en ons dan een lift te geven. Een erg mooie wandeling, door moerassen, Frank zakt tot twee maal tot de knie in de diepte. Na de tocht brengt hij ons naar onze wagen. Hij had een beetje met ons te doen want hij weet dat de weg die wij namen heel zwaar was, hijzelf nam een totaal andere weg bij het komen.

We duiken met zijn allen in het meer voor we nu definitief maar o zo warm afscheid nemen. Intussen hebben we ook met deze groep een leuk contact opgebouwd. We begrepen dat een reis boeken in het land zelf waar je reist erg prettig is: je komt tot een smeltkroes van nationaliteiten die het veel spannender maakt dan je zou boeken in België.

Tot hier hadden we in ons hoofd hoe onze reis zou verlopen, vanaf nu moeten we beslissen: gaan we richting Mount Coock (3600 meter!), het binnenland in dus of volgen we de scenic route die de zuid- en oostkust volgt. Ik ben erg blij dat Frank zich laat overhalen het tweede te kiezen. Het blijkt een prachtige keuze te worden!

Als ik eindeloze, blauwe zeeën zie mét knappe rotsformaties erin ben ik tevreden, laat staan dat alles wat nu volgt er nog bij komt…

En dit mag gaan van het picknickje aan zee met gerookte vis en een lekker wijntje en de oude visser die naar ons zwaait, tot het ontdekken van de geeloog -pinguïns aan het strand! Twee geeloog – pinguïns, vlak bij ons: schattig! Ze stonden daar met open vlerken: kwestie van af te koelen. Hun baby’tjes hadden we verderop al gezien: drie bange grijze musjes, bibberend wachtend op hun ouders die erop uit waren om eten te vinden…jawel, de volwassenen hebben een gele streep over hun kop die leidt naar gele ogen maar ook hun knalroze voeten stelen voor mij de show. In de verte zien we hun makkers aanzwemmen: dan lijken ze bijna op grijze eenden op het water. Tot ze waggelend op hun poten willen staan en uit het water strompelen. Als ze eenmaal vaste voet gezet hebben, schudden ze het water van zich af en lijken ze zo ‘happy’: ze lopen vooruit en als een steen in de weg ligt springen ze er hups met beide pootjes tegelijk ingetrokken op en over…

Ik sta aan het zuidelijkste punt van Nieuw zeeland, de zuidpool ligt hier 4.800 km. vandaan en tussen dat punt en hier ligt er echt niet veel. Ik bedenk hier dat ik net een jaar geleden aankwam in China, 17 januari.

Het is ook hier dat ik eindelijk mijn ouders hoor, dat ik hun eindelijk een gelukkig nieuwjaar kan wensen! Ergens was mama het spoor kwijt: ze dacht dat ik al terug in China was en roept uit als ze hoort dat we nog een maand verder reizen en er steevast van genieten om in ons tentje te kruipen: ‘maar onze Lieve toch, je denkt zeker 20 jaar te blijven?’ Ik moet er dagen later nog om lachen en bedenk dat ze gelijk heeft! Zelf is ze treurig, haar dertien jaar jongere broer is gestorven, een man die ze dus een leven lang kon volgen, haar pop toen ze zelf dertien was? De broer ook waarmee ze de laatste tien jaar optrokken als ze in Spanje wonen. Ik vind het nu wel jammer dat ik er niet ben voor hen.

Na dit nieuws waaien we letterlijk uit aan Curio Bay. Een prachtige baai. Ook het bezoek aan het versteende bos, leidt de aandacht af. Ooit palmde de zee dit stuk bos in. Hele boomstammen liggen nu als fossielen langs het strand, je kan de jaarringen tellen.

Er zijn nog andere verassingen:de Catedral-grotten die we alleen kunnen bezoeken bij laagtij: we hebben geluk, het is net laagtij. Of het strand met de perfect ronde keien, doorsnede tot twee meter. Gevormd door een natuurfenomeen waar ik nog nooit over hoorde: mineraalafzetting rond een stukje klei.

Landschappen vol heuvels en glooiingen brengen ons naar Nugget point: daar liggen massas zeeleeuwen en zeehonden. Verdorie, waarom heb ik geen zoom? Mooi is dit, je kan het niet beschrijven.

Het wild kamperen, jawel, soms zijn we echt wel stout en we wagen ons steeds verder, aan Kaka point mogen we ook niet vergeten melden: de naam alleen al!

We weten niet goed hoe het werkt: vliegt de tijd te snel of genieten wij teveel? We gaan traag vooruit maar daar storen we ons niet aan.

Soms gaan we gewoon even aan het strand zitten en kijken naar de mega dikke zeewieren, wel een been dik en meters lang, die allerlei sierlijke bewegingen maken in de hoge golven. Ze zweven en dansen in het licht dat speelt achter de golf om. Bedwelmend mooi. Ze hebben een feloranje kleur.

Bij gestrande zeewieren zien we welke zuignappen hun aan de keien houden.

In Dunedin kunnen we eindelijk Frank zijn bril laten herstellen. Dat was even schrikken: er viel een glas uit en hij is vrij hulpeloos zonder bril. Al jaren hadden we een reservebril mee als we op stap gingen, nu niet.

Een Duitse dame raadt ons aan Omaru te bezoeken: daar kunnen we blauwe pinguïns zien, om negen uur, want dan komen ze uit het water en steken ze de weg over. Het is zeven uur. Er volgt een staaltje van ons organisatietalent: een camping oprijden, onmiddellijk een wasmachine in gang zetten, intussen slaat Frank de tent op in kook ik, we eten, ik gooi de was in de droogkast en we vertrekken. Frank is er niet gerust in: vinden we die was ooit terug? Het zijn de enige kleren die we hebben…

Een vreemde situatie volgt: we observeren die pinguïns van op een tribune, samen met honderd andere mensen en moesten hier veel voor betalen.

Die pinguïns komen inderdaad vrij klokvast het water uit en dit gebruikte men ‘nogal’ (indien dit in China gebeurde sakkerden we ons blauw!) commercieel. Maar goed, de uitleg die we krijgen leert ons veel bij.

Die beestjes vertrekken elke morgen om vijf uur, de diepe zee in. Ze eten de hele dag visjes. Zwemmen wel vijftien kilometer ver en duiken tientallen meter diep.

Bij zonsondergang komen ze terug. Zij die zich het snelst reppen als ze uit het water komen hebben verderop kleintjes zitten. Zij die rustig blijven vlerken uitschudden nemen de tijd om het zweet van de lange tocht af te gooien.

In de ruiftijd, die duurt drie weken, eten ze niet.

Deze pinguïns zijn de kleinste ter wereld en worden maar acht jaar; hun grote soortgenoten kunnen 25 jaar halen. Slechts 20% van de kleintjes blijven leven. Daar ze geen rood of oranje zien, merken ze ons in het licht op de tribune niet op.

We zien zo’n 50 pinguïns!

Omaru zelf is de eerste stad waar de huizen opgetrokken zijn uit steen, kalksteen in de plaats van hout. Een toffe stad! Ooit een belangrijke havenstad voor wol, schapen en graan. De vervallen havenpanden zijn gerestaureerd. Een ervan is een trendy café waar net een life optreden is door een groep ruige Aucklanders en waar hip gedanst wordt. Ik wil erheen. Frank piekert teveel over de droogkast om te genieten maar ik ben niet terug te fluiten nu ik de kans heb om te boemelen! Tussen de dansende vijftigers zie ik zelfs mijn nonkel die pas gestorven is dansen, de gelijkenis is een schok.

Frank is opgelucht: de was ligt er nog. Heb ik even geluk!

De volgende dag moet ik nog even dat stadje in: in de oude panden en pakhuizen blijken toffe winkeltjes te huizen. Een zeer sfeervolle boekenwinkel, een shop waar alleen oude radio’s verkocht worden, eentje met een retro snoepwinkeltje in… zowel aanbod als panden zijn om te kwijlen. Het hoedje dat ik er koop is de hele stad die ik meeneem.

In Timaru, de tweede grote vissershaven van het land botsen we weer op zo’n hedendaags fenomeen: geen viswinkel te vinden! Leve de groothandel, leve de export.

We slaan de tent op aan de Rakaia gorge, langs de scenic route die ons hier een stuk door het binnenland voert. Een prachtige kloof waartussen felblauw water stroomt. De vorige dagen stonden we bijna steeds aan de rand van de zee. Geen vijfsterrenhotel die ons deze uitzichten kan aanbieden!

Daar er hier eens een resto is voelen we ons bijna genoodzaakt er gebruik van te maken. De uitbater is een Amerikaan; er zijn maar vier ander klanten, waaronder een Amerikaanse vliegenier die hier zijn buitenverblijf heeft… We hebben zicht op de kloof , het eten is heerlijk. Een heerlijke Australische rode wijn, Shiraz, zorgt ervoor dat we waggelend teruggaan. (australian-red, kiwi-white, zo zegt men…)

In de morgen duiken we weer de rivier in. We voelen ons echt in het paradise: er zijn hier niet eens zandvliegen!

Via bergen en wijnvelden rijden we noordwaarts, nog steeds op het zuideiland, wel te verstaan.

Een avondwandeling in Kaikoura, boven op een klif en terug langs de zee brengt ons bij een kolonie zeehonden. Wel 80 van die enorme beesten. Je mag nooit tussen hen en de zee gaan, dan voelen ze zich bedreigd. Ze liggen er geeuwend bij, lui, op hun rug, één oog nonchalant de lucht in starend, een ander oog ons in de gaten houdend…

Af en toe slaat er eentje een vlerk uit. En die geur van die beesten! Bijzonder.

We wandelden zo lang, genoten te lang van de zonsondergang dat we de tent in het donker moeten opslaan, koken en eten in het donker, de zee naast ons.

Om zes uur staat Frank op om te plassen, hij wekt me: zo mooi is de zonsopgang. Hij heeft gelijk. We gaan niet meer terug in de tent en maken er een rustig, lange ochtend van.

Gisteren reserveerden we een catamaran om vandaag walvissen te kijken: dit konden we op de valreep regelen omdat er twee mensen wegens aangekondigd slecht weer afzegden. Niet ten onrechte zo bleek! We zoeven door de zee: heel snel, bonkend en kletsend op de golven. De tocht duurt twee uur maar na een half uur wensen velen dat het al gedaan was en na anderhalfuur ligt 80% van de mensen dubbel in de zetel, luidruchtig te kotsen…Ik zet mijn tanden op elkaar en hou ononderbroken de horizon vast met mijn ogen. Vooral het rechtstaan om naar en van het dek te gaan om daar walvissen te kijken is penibel maar voor ons ligt het afzien nog onder de grens van erg genieten van het spektakel. Oef!

We zien twee enorme potvissen. Eerst zie je de massieve rug in het water, dan zie je’m spuiten en dan, de gids zag aan zijn manieren wat er zou gebeuren: dé duik! De ene verwende ons met de mooiste staartzwiep dat je je kunt voorstellen! Zelfs de zieken vergeten even over te geven!

De tweede walvis maakt er zich wat minder elegant van af.

Later komen we in een grote school, honderden, dolfijnen terecht, vlakbij de boot. Ik heb hardop gelachen met hun kuren! Ze laten ons schrikken door onder de boot te zwemmen en dan plots naast ons omhoog te springen, andere sloebers duiken en springen wel 15 keer omhoog, een ander pletst gedurende enkele kilometers alleen maar met zijn staart: het lijkt alsof ze genieten van ons kijken!

De whale watching business in Kaikoura is in handen van de autochtone bevolking van Nieuw-Zeeland, de Maori. Het is de eerste keer dat we iets van hun aanwezigheid merken.

We staan er zelf van versteld maar bij aankomst valt onze maag erg snel op plooi bij het zien van een mooi terras aan zee: dit lijkt Spanje of Kreta wel! De zon wenkt er ons, samen met een heerlijke visschotel waarbij een kreeft het hoge woord heeft. Heugelijk!

Pavarotti zingt: ‘partir, c’est mourir’ maar zo voel ik het nu geenszins! En zing uit volle borst: ‘partir, c’est plaisir!’

Onze laatste dag en nacht in het zuideiland valt wat tegen. Net hier konden we zeker zon verwachten en net hier regent het, is er mist. Het mooie landschap rond de scenic route langs diep ingesneden kustinhammen (queen Charlotte track) is verstopt. Gelukkig vinden we een droom van een kampeerplaats alleen voor ons twee aan de rand van een prachtige inham waar we tussen enkele eendjes in ons blootje kunnen duiken, het water is zelfs warm, en tijdens het kamperen en eten hebben we geen regen. Oef! Nu, reden tot klagen hebben we niet want tijdens de vorige weken verwachten we veel regen en de zon was meestal van de partij. Eigenlijk hadden we alleen mist en wat regen nét op de momenten dat we iets spectaculairs moesten zien, dat wel. Maar goed, mist en wolken maakte het dan ook bijzonder om te schilderen: boeiender als zon.

Maar nu ben ik ontgoocheld: de drie uren boottocht tussen het zuid en het noord eiland die prachtig moet zijn, ging volledig op in de mist… erg jammer! Ik troost me met een aquarel die de grote golven weergeeft: de boot vaart stabiel.

Intussen 23 januari. We besluiten twee dagen in de hoofdstad Wellington te blijven, een fantastische beslissing zo blijkt!

Toffe stad om in te wandelen en we vinden er een zalig backpackershotel in een voormalig grootwarenhuis, in de havenbuurt. De bachpackershotels zijn hier overal fantastisch goed uitgerust met keuken, was- en drooggelegenheid, internet…

Ook hier functioneert de haven vooral door zijn trendy, schitterende resto’s. we pikken er eentje uit voor de avond. Het wordt een onvergetelijk dineetje voor me: ik geniet er mateloos van. Heerlijk voedsel (ik was het vettig dagelijkse voedsel met zure room, dikke sausen, gefrituurde vis en steeds maar friet zo beu. Gelukkig konden we vaak zelf koken!), een prachtig ex-pakhuis, als steeds hier: zelfbewust maar ontzettend vriendelijke bediening (bij elk resto, elke winkel kan je dat zeggen. Wat zijn wij toch een gejaagd en vaak onvriendelijk volk! Hier neemt men voor alles zijn tijd), een knappe zonsondergang over de haven, een volle maan en… gelukkig en lief gezelschap…

Maar we kwamen eigenlijk voor het TE PAPA museum, een prachtig modern museum, met alles wat je wil weten over Nieuw-Zeeland. Het ‘actief’ bezoeken, daar moeten we aan wennen. Her en der interactieve schermen, alles door elkaar, er lijkt geen overzicht te zijn… dit is de trend.

Daar brengen we anderhalve dag in door. Daar leren we alles over de migratie, walvissen, hun natuurbeleid, aardbreuken, vulkanen, én maori’s. Eindelijk.

Dat er zoveel mensen Engeland verlieten na de industriële revolutie was ik me toch niet bewust! Net voor de industriële revolutie ging het slecht in Engeland, maar vele gezinnen konden overleven door de vrouw die bijverdiende met thuis weven, spinnen of kantklossen. Het wegnemen van die inkomst deed mensen massaal vluchten.

Engeland stimuleerde uit uitwijken met mooie plaatjes van velden en boerderijen maar zweeg over de harde omstandigheden waar de mensen toch inkwamen en… over het fenomeen ‘homesick’. Je hoort en leest allerlei getuigenissen van mensen die missen… ja, partir is dan wel mourir, als het voor te lang en te ver is…

Ook in Nederland kregen de mensen subsidies om hierheen te komen, nog in de jaren 50 van de twintigste eeuw. Vandaar dat we zoveel Nederlanders tegen komen.

Tegenwoordig heb je hier veel vluchtelingen door het broeikaseffect: eilanden lopen her en der onder, zout water vernietigd de velden omdat het zich mengt met zoet water. Zo stelt een vrouw zich de vraag wat je met je eigen cultuur moet doen als je gedwongen moet verhuizen, is het evident dat je je aanpast en je eigen identiteit verliest? (de Engelsen stelden zich in elk geval die vraag niet, zoveel is duidelijk!)

Er is nu ook een grote emigratie: veel jonge mensen gaan naar Australië waar meer te verdienen valt.

NZ werd duizend jaar geleden gekoloniseerd door de Maori’s, een Polynesische bevolkingsgroep. Ze leefden vooral van jacht , visvangst, plukken van eetbare vruchten en planten, en het kweken van zoete aardappelen . De aanwezige moa’s (vogels van meer dan twee meter die niet konden vliegen) werden tot de laatste opgegeten. In de negentiende eeuw kwamen de Engelse kolonisten. Nieuw-Zeeland werd een kroonkolonie en het staatshoofd is vandaag nog altijd koningin Elisabeth! De Maoris werden verdreven en hun gronden verkocht aan ingeweken boeren. In de jaren 1860 kwamen de Maoris tevergeefs in opstand. Op het zuideiland zijn ze zo goed als uitgestorven, op het noordeiland wisten ze zich met meer succes te handhaven. De rechten van de overlevers zijn maar in 1997 wettelijk erkend. Maorigroepen voeren nu processen op basis van documenten uit de 19e eeuw om zoveel mogelijk gronden en rechten terug in handen te krijgen; ze hebben zich voor hun economische belangen georganiseerd in grote Maoriholdings. Dat is allemaal niet zo eenvoudig, uiteraard. De hele procedure is in volle discussie. Zuivere Maori’s vormen 10% van de bevolking, maar de helft van de Nieuwzeelanders heeft minstens één Maori-overgrootouder.

Over de walvissen kom ik iets heel interessants te weten! Pas recent ontdekte men , via onderzoek van de gehoorgang van fossielen, dat ze geëvolueerd zijn uit de varkens en de koeien! Je ziet er perfect hoe ze van land- zeedieren werden. Weet je dat walvissen nog steeds achterpoten hebben? Ze zijn nu klein en zitten onder de huid. De staart maakt het zwemmen makkelijker, vandaar dat ze die nu hebben en daarom werden heupen overbodig… (zouden die van mij ook wat afnemen met zwemmen?! Zou niet mis zijn)

Je mag eigenlijk geen onderscheid maken tussen walvissen en dolfijnen. Het onderscheidt ligt in het hebben van tanden of baleinen. De potvissen die wij zagen hebben tanden. De potvis is het grootste beest op de planeet met een mond vol tanden. Kun je begrijpen dat ie ze niet gebruikt om te eten? Hij zuigt zijn voedsel op door een enorm keelgat, ! Zijn tanden gebruikt ie alleen om te vechten… ’t Beest kan wel 80 minuten onder water blijven, wij max 3’9’’!

Walviussen met baleinen vangen scholen vissen en spuwen overbodig voedsel weer uit, na lekker de keuze gemaakt te hebben; zij hebben maar een klein keelgat. Zij met tanden vangen de vis één voor één: vandaar dat hun gehoor en het opvangen van trillingen veel beter ontwikkeld is: ze sturen zelf stralen uit en als die tegen iets aanbotsen en teruggekaatst worden begrijpen ze waar de prooi zit en hoe groot ie is. Zijn ogen heeft hij eigenlijk niet nodig, die zijn dan ook aan het verdwijnen.

Ze paren als mensen, met een penis dus. Een klein verschil: moeder perst de melk uit de tepel éénmaal het kalf aanligt, het dier zuigt niet.

Oja, en het spuiten dat we zagen? Dat is eigenlijk water dat in de longen condenseerde en ophoopte tijdens het duiken, hoe meer hij spuit hoe dieper hij dook.

Jeetje, vind ik dat allemaal interessant. Ik heb toch steeds tijd tekort in mijn leven! Er is zoveel te weten en te leren!

Veel authentieks is van Maori’s niet te zien in het museum, wel hedendaags gemaakte voorwerpen, in oude stijl. Het komt er eigenlijk op neer dat alles vernietigd werd. De blanken zijn hier massaal gaan ontbossen sinds 1840. Ze dreven de oorspronkelijke bevolking op lapjes grond waar ze niet op konden overleven en uitstierven. En waarom we op het Zuid eiland nauwelijks een Maori zagen en er nu wel meer zien op het noordeiland is duidelijk: het noordeiland was veel onbruikbaarder: het staat vol vulkanen, dus onbruikbaar voor landbouw, dus heeft men de bevolking daar meer hun leven laten leiden. Wat me helemaal met verstomming slaat: Engelsen maakten heel strategisch gebruik van de conflicten tussen de verschillende stammen die er waren: de één steunen om het conflict nog groter te krijgen, onrust zaaien en dan ‘de reddende engel’ spelen. De stam die zich langst tegen hen verzette sloot zich uiteindelijk aan en hielp de anderen uitmoorden. Je wordt er ziek van als je ziet hoe dingen zich herhalen. (en dit schrijf ik als ik net hoor dat Amerika Kosovo erkent…)

Tot Engelsen kwamen leefden ze in hutten. De mooie houten paalwoningen die we zien in het museum kwamen er ook maar na de Engelsen en de mooiste dienden voor ceremonies en later om hun identiteit te tonen. Na het ceremoniegebouw is het huisje op palen om voedsel in te bewaren meest gedecoreerd: statussymbool voor het dorp. Dat ze pas na de Engelsen metalen werktuigen hadden speelde ook mee.

De beelden op palen zijn als te verwachten afbeeldingen van goden en voorouders die moeten beschermen.

De mensen die aankwamen uit tropische eilanden hadden het hier koud: zij leerden zich kleden met vezels en veren. Ook voor hen is het vulkanisch gebied op het noordeiland een vondst: lekker warm, makkelijk om te koken.

Later in een museum in Roturua, zien we ook de traditionele ‘dansen’ waarbij ze een grote borst opzetten, vervaarlijk met hun ogen rollen en de tong zo ver en zo plat mogelijk uitsteken: kwestie van te imponeren als iemand toekwam. The All Blacks nationale rugbyploeg doet dat schrikwekkend ceremonieel nu nog voor elke internationale match!

Ik koop een prachtige poncho in Merino wol, wat is die wol hier zacht! Ze wordt gemengd met het haar van de possum: een diertje waar men erg ongelukkig mee is en het liefst ziet afnemen in aantal. Het ziet er nochtans mooi uit! Niettegenstaande de hoge prijs, kun je er niet aan weerstaan om iets in wol te kopen! Ik zie me al zitten op ‘ons’ terrasje, met mijn poncho om, daar op de markt van Antwerpen, samen met jou…

(in het museum leerde ik dat ze die schapen voederen vanuit vliegtuigen!)

Het noordeiland is meer bewoond, fruit- en groententeelt, meer dorpen. Dorpen die zo Skandinavisch aandoen: eind 19e eeuw werden Denen en Noren aangetrokken om hier bossen te komen rooien… vandaar die Eriksonstreet…

Na weer een heerlijke nacht aan de zeerand en blij zijn dat ik ’s nachts uit de tent moet om te plassen zodat de duizenden sterren, Orion en het Zuiderkruis niet aan mijn aandacht voorbij gaan, bezoeken we Napier omwille van zijn art-deco architectuur. Het stadje werd in 1930 verwoest door een aardbeving en brandde plat. Een heerlijk stadje. Met zijn palmbomen lijkt het LA in het klein, daar is ook wel wat art deco én zijn er ook die palmboom-dotjes op ongelooflijk lange stammen, zoals hier.

Maar wat geniet ik van die twee oudere dames die passeren! De ene draagt een zware roze zonnebril, grote roze oorhangers en een roze bloes, haar vriendin –dat ben ik zeker- alles idem maar dan lichtblauw! Frank rijdt de halve stad door op zoek naar hen. Ze zitten warempel samen een koffietje te drinken! Ik ga hen vragen of ik ze mag fotograferen: ode aan mijn vriendin! Ik zeg hen dat ze zo mooi zijn! Ze vragen me ‘of het er niet over is’? ‘erover?’ Waar heb je het over? Prachtig gewoon!’ Ze zijn al meer dan een halve eeuw vriendinnen, beiden getrouwd met een Engelsman, de ene daar gewoond, de ander hier: de vriendschap overbrugde alles! Zo mag ik het horen zie, ik kan ze wel kussen! O wat zou ik graag langer met hen praten, ik zou alles over hen willen weten maar we moeten wel gaan. ik heb helemaal warm vanbinnen! Ja, ik ben blij terug naar China te gaan, maar ja, wat verlang ik ook naar dàt in België! (het enige dat ik echt mis? Sorry!!)

Eindeloos rijden door lege en prachtige landschappen, het binnenland van het noordeiland. Onverharde weg, bergen, half woestijn, half groen, kloven die je adem benemen.

Om aan ons doel te komen: de streek rond Wakapapa.

We kamperen er tussen enkele Polen aan een riviertje. Om acht uur brengt een taxibus ons naar het begin van een wandeling, de beroemde Tongariro oversteek, om ons na acht uur verder stappen weer op te pikken. Het wordt een ongelooflijk knappe wandeling tussen vulkanen, over een vulkaanrand, klauteren en dalen in grind, met open mond naar knalblauwe, smaragdgroen, zwavelgeel-gerande meren kijken om dan ononderbroken uren te dalen naar het eindpunt, af en toe schuin kijkend naar een stoomwolk die uit de grond ontsnapt. Een droom van een tocht, wat kick ik op deze landschappen! Geen regenwoud die dit losmaakt bij me. Konden mijn knieën het toch nog wat uithouden, dit is toch zo plezant! We zien Ijslandse toestanden maar dan zonder die kou, ja Lutje, een concurrent ware het niet dat het zo veraf is! En herinner je je nog hoe wij na onze twaalf-uren tocht langs dozijnen watervallen in jouw land naar beneden strompelden alsof we van Napoleon zijn slagveld kwamen, en hoe boos Frank was dat we niet sneller stapten? Wel, na al die jaren begrijp ik Frank! Deze afdaling lijkt zo éindeloos dat ik ervan loop, huppel, aan één stuk door: kwestie van dit zo snel mogelijk af te handelen, als ik nu de veer loslaat?…

Wauw, het was prachtig.

Het pintje dat we koelden in de rivier naast de tent is goddelijk.

De volgende dag praat Frank een vol uur op me in om me in de kabellift te krijgen die boven een lavaveld naar een vulkaanhelling leidt waar in de winter geskied wordt. Ik heb hoogtevrees, weetjewel! Maar ik laat me, gelukkig, overreden! Nu begrijpen we helemaal waar en waarom ‘the Lord of the Rings’ hier opgenomen werd. We bekeken die film de avond voor we vertrokken, vonden die echt maar niets maar terug thuis zullen we hem toch nog eens bekijken, en ons voorstellen dat we die op groot scherm zien…

Midden het stappen door sneeuw en ijs staat een rots waar we op klauteren: kort maar erg bangelijk maar ozo mooi! Dit is hét landschap waar de eindscène opgenomen werd, zo meen ik me te herinneren.

Dit was voor mij een grensverleggende dag… ik dacht toen nog: DE grensverleggende dag maar die komt pas later, zo weet ik nu…

In de tweede eeuw na Christus werd het Rotorua meer, we reden weer een stuk verder, gevormd door een uitbarsting die gevoeld werd tot in Rome en Beijing. Er vlakbij ligt een slapende vulkaan, die in 1882 plots openbarstte, alle Maori’s uit de buurt doodde, en wereldberoemde kalkterrassen, te vergelijken met Pamukkale in Turkije, onder de lava bedolf. Nu ziet de vulkaan er braaf uit maar er is een ander in de buurt die elk moment hetzelfde kan doen, zo zegt men.

Dat we midden een vulkanisch gebied zitten beseffen we vandaag voluit: we komen tussen blubberende modderpoelen, stomende gaten en openingen als de ingang naar de hel terecht.

In Rotorua, is het hek helemaal van de dam. Wat we daar zien als gevolg van dit vulkanisch gebied is niet te beschrijven: knal, gifgele poelen oranje omrand, stomende blauwe of groene waters, rivieren met zoutafzetting, modderpoelen, geisers, je kunt het niet bedenken! Bij deze wandeling valt onze mond constant open. Jammer dat we hier drie jaar te laat zijn, dit is vrij recent iets te toeristisch uitgebaat en aangelegd met te perfecte paadjes… maar het is hen vergeven.

Rotorua stinkt naar de zwavel en rottende eieren; waar rook ik dat nog Lut? De geur in jouw Ijslandse badkamer achtervolgt me nog!

We plaatsen onze tent ergens illegaal, en dit hadden we hier niet moeten doen. Het is duidelijk dat dit gebied te rijk is, frigoboxtoeristen, pardon, tenttoeristen zijn hier niet gewenst. Dure huizen, baaien vol zeilboten, overal plakkaatjes verbod te kamperen. Maar het zicht op de langwerpige vulkaan met zijn zes spuwgaten was echt niet te weerstaan. Toch krijg ik het benauwd als de rijkeluiskindjes zich amuseren met het gooien van stenen naar mekaar: ook al kreeg er een jongen een kei tegen zijn hoofd en huilt hij, zowel hij als zijn makkers gaan ermee verder.

We koken en eten er en als ze weg zijn en als het donker is zetten we onze tent. Maar midden in de nacht komt een wagen toe, klapperende deuren, stemmen, heen en weer geloop. Ik kan niet meer ademen van de schrik. Ik hoor Frank hetzelfde doen, hij ontkent het, we doen allebei alsof we slapen! Ik voel me zeer weerloos en moet mijn denken stilleggen. Gelukkig, ze vertrekken maar dit moeten we niet meer doen. Totnogtoe was er steeds een veel vriendelijke sfeer om ons heen.

En het feit dat we vandaag, je gelooft het nooit, OVER die vulkaan met zijn zes kratermonden vliegen met een HELICOPTER maakt het plaatje tot een groot feest: mijn verjaardagsgeschenk! Daar droom ik al 25 jaar van! Ooit vloog ik niet over de Grand Canyon omwille van de centen en ik heb er steeds spijt van gehad. Het wordt een fantastische ervaring! Dat instappen in dat kleine rode bolletje, het opzetten van de koptelefoon, het opstarten met zijn hels lawaai, de piloot die met je praat via die telefoon, dat verticaal omhoog zwieren, je knieën vlakbij dat bolle raam alsof je zelf buiten zit, die autootjes zo dichtbij, het landschap van boven zien, véél dichter als vanuit een vliegtuig, alle plaatsen herkennen waar we reden, waar de tent stond, en dan dé vulkaan! Dat net die zes monden heeft, nog nooit gezien! We landden er zelfs op, gaan wandelen aan de kraterrand en stijgen weer op: Frank laat mij terug aan het raam, voorin zitten! Het was machtig!

Kun je je voorstellen dat we de volgende dag om 13 u opstijgen naar Sydney? En hier hangen we nog op enkele honderden kilometer van de luchthaven in Auckland. We moeten opschieten. Na uren plankgas geven nemen we in stijl afscheid van onze tent die we niet meer zullen gebruiken: langs een knap meer op een supervriendelijke camping: wat een contrast toch met de ultra chique backpackers hotels die we in Australië zullen vinden: daar gedraagt iedereen zich alsof hij het middelpunt van het universum is maar hier geeft iedereen leuke commentaar. Het allermooiste afscheid was de commentaar van een Maori vrouw: ik was erg gehaast de auto aan het uitborstelen, moet proper zijn voor teruggave. Ze zag alleen mijn ‘derrière’ terwijl ze met Frank praatte. Toen ik uit de auto kwam riep ze zo plat als het kon: ‘what a bloody lucky man are you, you have a beautiful wife, she’s sweating like a pig, mate, but she’s beautiful!’ en dat op mijn verjaardag, olé, we kunnen het land verlaten!

Dertig januari 2008, ik verjaar… en hang boven twee prachtige landen met een glas champagne: ze haalden er eentje uit de eerste klas, toen ze doorhadden dat er hier gevierd werd!

Het landen in Sydney, op Australische bodem, maakte ik niet mee. Niet te geloven! Behalve de muziek van Tina Turner waar ik gek op ben herinner ik me alleen een Agata Christie waar ik absoluut het einde van wou kennen. Onze Belg Poirot had me helemaal in de ban, ik stond zelfs te lezen terwijl ik mijn douanepapieren afgaf!

We checken in: onze kamer die we toevallig vonden blijkt een voltreffer: zicht over heel Sydney. Nochtans komt ie me eerst beklemmend over want dit land is zoveel vochtiger als NZ, het valt op ons. Maar na een dutje, een kopje koffie en een chocolaatje zijn we weer in vorm en zoeken DE opera, het symbool van Sydney, op. Daar hebben we om zeven uur een afspraak met Miriam, vier weken geleden gemaakt: zou ze er staan?

Ze staat er. En hoe? Met een bloem, drie glazen én champagne. Het wordt me even teveel. Dit is toch niet mogelijk: hier sta ik op de trappen van de Opera te verjaren midden de zomer met een godendrankje in de hand en de warmte van twee mensen om me heen, ik mis even heel hèèl diep mijn ouders en mijn vrienden…

De dag wordt afgerond in een prachtige trendy Italiaan, aan een havenpand niet ver van the Rock’s. (het oudste deel van Sydney, nu ook gerestaureerd) Een enorme boot vaart achter de huizen, wat een beeld!

Wat ben ik blij dat ik net om zes uur wakker wordt als de zon opkomt over de stad. Ik zie van hieruit zelfs de opera liggen. Knap.

Sydney verleidt me meteen. Gezellig, groen, levendig, een prachtig botanisch park, een energieke businessbuurt, een ‘Koninginnegalerij’ maar nog veel mooier (en ik val al zo voor die van ons! Was mijne Guy Dechaux hier maar!), de havenbuurten, natuurlijk de opera die op elk moment van de dag anders oogt, een relaxe sfeer, resto’s en terrasjes zoveel je wil, stranden, vuurtorens… een prachtige klif van waarop je zelfmoord kan plegen (sorry, dit is niet mooi, maar het ís een geliefde plek voor deze daad), de overweldigende, hoge, ijzeren brug: bijzonder knap, de monorail die in een gebouw verdwijnt…

We liggen op onze rug in het gras te kijken naar de mooie exotische bomen, hier staat wel wat! Maar vooral: hier hangt wat! De bomen hangen zwart van de vliegende vossen: gigantisch grote vleermuizen! Ze zijn bijna het symbool van Sydney! Wauw…

We schuilen voor een gigantische regenvlaag met onweer, heel buitengewoon in deze tijd van het jaar. We komen in Darling Harbour terecht, waar we voor het eerst kangoeroe eten… dat moeten we toch proberen…

En een volgende dag vol wandelen en verkennen wordt afgerond in het restaurant van de televisietoren, heel erg hoog, draaiend en uitkijkend over de stad. Onvergetelijk.

We brengen de zaterdag door met Miriam. We nemen samen de trein voor twee uur om zeven uur te gaan stappen in de Blue Mountains. Jammer dat we niet meer tijd hebben voor dit prachtige gebied! Nochtans hou ik even mijn adem in bij aankomst: ‘the tree sisters’ –drie rotsen en hét onderwerp van deze wandeling- liggen volledig verdoken in de mist! Toch niet weer van dat? Na een picknick beslissen we de tocht in de kloof aan te pakken. Miriam vraagt me of dit te vergelijken is met de grand Canyon, ik begrijp haar vraag maar dit is anders: niet zo diep, de groene rand onder de kale toppen, het uitgestrekte van de kloof is anders. Het is prachtig en jawel, de mist trekt helemaal weg: de tree sisters openbaren zich voor ons, evenals de vele watervallen en het majestueuze van de kloof.

Supertevreden treinen we terug. Bij aankomst wanen we ons in China: in een park aan het station is het feest in functie van het Chinese nieuwe jaar bezig…vreemd doet dat!

Gezien we maar twee weken hebben voor dit immense land nemen we een goede beslissing: we stappen een reisbureau binnen en laten de weken vastleggen. Het zal blijken dat de man zeer goed aangevoeld heeft wat we willen! Toen we hem vertelden dat we zéker de Ghan, een trein als een monument, te vergelijken met de transsib of zo, willen nemen bekijkt hij ons onderzoekend. Dit betekent om vier uur opstaan om naar Adelaide te vliegen, en drie uur later die trein nemen voor 25 uur? Ons instemmend knikken werkt voor hem verhelderend: deze twee kunnen tegen iets. In twee uur tijd flanst hij een avontuurlijke reis in elkaar: we beseffen het gelukkig zelf niet helemaal.

In Adelaide lopen we wat verloren: het vinden van het juiste station voor the Ghan blijkt niet makkelijk: we nemen de verkeerde bussen, lopen met een zware rugzak de foute richting, hilarisch! ‘Zo kun je natuurlijk ook je zondag doorbrengen’ zeggen we lachend tegen elkaar.

Maar enkele uren later stopt de Ghan voor ons. Ik wordt erg emotioneel als we, samen met vele andere reizigers, welkom gegeten worden op het perron door een hele staf.

Onze slaapplaats blijkt zeer ingenieus in elkaar te zitten: hoe krijgen ze twee bedden, een tafel en een wastafel in zo’n kleine ruimte die nog gezellig is ook!

Het wordt een treinreis uit een droom, doorheen the outback, zoals het binnenland van Australie genoemd wordt.

Tijdens de eerste uren begrijp ik wat de graanschuur van de wereld betekent!

Velden, eeuwig uitgestrekt…

Later komt het rode binnenland, nog meer bomen en groener dan ik verwachtte, toch is dit woestijn.

En ik win toch wel een lot te consumeren aan de bar ter waarde van 20 dollar zeker? Als dat niet prettig is!

Ik schilder en schilder! Tijd tekort! Vlaktes, soms eens heuvels, dan weer rare rotsformaties, rijden over een uitgedroogde rivier… met spijt wordt het donker, blij sta ik op om vijf uur om de zonsopgang vast te leggen. De barman (ik schilder in het restaurant: daar zijn rondom vensters) geeft me korting op mijn koffietje: ik werkte te hard, zegt hij!

In Alice Springs, de enige stad in het rode verlaten hart van dit land, ben ik meteen gebiologeerd door de Aboriginals. Blootvoets lopende vuile mensen die hier doelloos rondhangen, zittend op de rode aarde, soms tegen een boom, in hun ogen is niets te zien. Geen haat, geen hoop, geen verdriet, geen ‘dag’, niets meer. Het gaat door merg en been. Hier moet je van bekomen. Later vernemen we er meer over…

We leren nog een ander min punt kennen: hier zijn geen bijtende zandvliegen maar hoogirritante plakkers van vliegjes die liefst in je ogen en neus kruipen. Ik heb al spijt dat ik die vrouw op de trein met haar netje over haar hoed een beetje belachelijk vond: al was ze misschien toch iets te vooruitziend, ze was slim!

Tijdens de nacht is het 25à30 graden en we kunnen de airco niet bedienen: ik ga buiten op de grond slapen van ellende.

Om 5u30 moeten we opstaan…last van teveel slaap heb ik hier toch niet!

We worden afgehaald voor een driedaagse excursie door dit binnenland. Doel: Uluru en Katja Tjuta: twee heilige bergen (we hebben het dit jaar met heilige bergen!)

Ons reisleider, Dom, is 26 jaar en de oudste van de rest van de groep: 17 gasten tussen de 20 en 26: ik voel me plots geen 20 meer, en ja, ik vraag me even af wat ik hier doe! Maar na twee dagen weet ik het: leven in de brouwerij brengen: deze jeugd is zo mak als een lam! Maar de meisjes in de groep krijg ik mee, met de jongens valt niets te doen! Ikzelf zit vooraan in de bus en na twee dagen zitten alle meisjes rond ons. Ze lachen hartelijk als ik steeds de bol uitga voor ‘You drive me crazy…’ daar heb ik heel intense herinneringen aan, en als zij te geweldige muziek spelen waar ik echt zot van word begin ik dit te zingen en lachend wordt iets anders opgezet. Een Spaans zot geval, Estefania, zorgt ook voor ambiance! Dom is ons dankbaar want hij had oorspronkelijk moeite met het trage tempo.

En daarenboven, het moet gezegd, hebben wij echt meer energie: velen kunnen sommige wandelingen niet uitstappen. Maar ja, wij slapen in de nacht, zij babbelen en gekscheren dan…

We ontmoeten nauwelijks jongeren die hier reizen voor enkele weken. Allen werken hier gedurende enkele maanden of zelfs jaren: op zoek naar zichzelf, heet het. Ik heb er veel respect voor: ze staan in voor zichzelf en doén dit toch maar, vaak aan de andere kant van de wereld. Blijkbaar is het niet zo moeilijk om hier in een tijdelijke job te vallen.

We zullen in het totaal 1.500 km rijden, waarvan 750 de eerste dag, door woestijn. Ik verslaap geen kilometer, ben steeds klaarwakker, wil niets missen!

Drie vierde van de bus slaapt constant.

Om 14 uur gaan we drie uur stappen in Kings Canyon. Gezien de hitte te groot is, ze is enorm, wordt de langere tocht officieel afgeraden. Terecht zo blijkt.

Midden dit hete landschap is een put vol kikkers, watertorren en zelfs visjes. Onwaarschijnlijk. Het zicht boven de canyon is knap.

Uitgeput komen we aan in de bus. We moeten drinken, ook al hebben we geen zin. In dit hete droge klimaat heb je een liter per uur nodig. Het water dat we meebrachten is lauw, bah!

Tijdens een volgende wandeling vertelt Dom, hij kan erg goed vertellen, dat de Aboriginals het jouwe en het mijne niet kenden: alles was van iedereen, alles werd gedaan voor mekaar. Daarom werd een enorme zin voor verantwoordelijkheid opgelegd: als je een fout maakt in het jagen of het verzamelen van bessen krijg je de hele groep ziek… de straffen bij het niet navolgen van de raad gebaseerd op jaren ervaring, ook al loopt jouw ervaring goed af, zijn erg groot: een speer wordt zo door een pees gestoken dat het niet beschadigt maar erg pijn doet…

Het feit dat alles van iedereen was bracht ook problemen mee toen de boeren-kolonisten zich hier vestigden. Die kweken hier koeien op boerderijen van minstens een paar duizend vierkante kilometer, kleiner kan niet omdat er zo goed als niets groeit. De aboriginals zagen de koeien en begrepen niet waarom ze die niet mochten doden en meenemen.

Maar oorspronkelijk kwam men tot een redelijke verstandhouding tussen boeren en lokalen: de mannen werkten op de boerderij in ruil voor vlees, en de vrouwen mochten verder bessen zoeken en naar honingmieren delven. Het liep pas echt fout in 1968, toen werden de aboriginals officieel als burgers erkend en kregen ze mensenrechten! Stel je voor! Ik was toen zeven jaar! Tot dan hoorden ze bij de fauna en de flora! Maar daarr ze mensen waren moest de boer hen betalen… de boer zette iedereen uit zijn gebied, de mensen hadden niets meer en waren verloren. De staat geeft hen nu een goekoop huis en leefgeld, dit neemt elk levensdoel uit hen weg. Aboriginals worden heel snel dronken, men verbiedt alcohol in hun dorp: ze komen dus naar Alice Springs en hangen hier rond: hier mogen ze wel drinken. Ze hebben nooit geleerd wat uren, regelen, werken volgens westerse normen is… ze zijn totaal verloren.

De enige aboriginals die het ergens brengen zijn… de gestolen kinderen. Tot in de jaren 60 werden halfbloeden, rara door wie verwekt, zomaar gestolen en opgesloten in missies of staatsweeshuizen: de ideale personen om op te leiden om bij blanken te gaan dienen, later. (blanken die hier arriveerden voelden zich te goed voor bepaald werk, en de aboriginals konden het niet) Af en toe is er zo’n gestolen kind die leert schilderen, daar goed in is en door de westerse wereld ontdekt wordt…

Dom vertelt dat ontzettend veel mensen stierven omdat ze geen ruimte hadden om hun eten te verzamelen, aan allerlei ziektes door westerlingen binnen gebracht, en… wie in de weg liep schoot men gewoon dood.

(in tegenstelling met Afrika had men hier de lokale bevolking niet nodig om op velden te werken. Hier werd een ander soort landbouw gedaan.)

Een stop om hout te verzamelen voor het vuur vanavond: kijk wel uit voor slangen. Ik hoop dat dit een grapje is. Neen, dus, gezien de uitdrukking op Dom zijn gezicht.

Het wordt me stilaan duidelijk: vannacht slapen wij hier gewoon buiten, in een Swag: een matrasje in een canvaszak. Buiten slapen, schorpioenen, slangen; en dingos – wilde honden- die ’s nachts aan de haal gaan met schoenen;ik kan de combinatie niet goed aan. Die gedachte, samen met te weinig gedronken (slechts 5L, het moesten er 10 zijn, zegt Dom) krijg ik hoofdpijn, ik denk dat ik ervan kan sterven! Zelfs het heerlijke eten rond het prachtige kampvuur brengt geen soelaas.

Een goede apranax wel. Ik slaap heerlijk.

En neen hoor, de slangen waren geen gevaar. Iets anders wel: opstaan om vier uur in de nacht en een beetje ver stappen om te plassen en dan rond je kijken, terug naar de slaapplaats willen gaan maar beseffen dat je die in een maanloze nacht niet meer terugvindt! Dat is pas paniek! Het overkwam niet alleen mij, zo bleek.

Om halfzes worden we vrolijk gewekt voor een andere dag waarbij superlatieven tekort schieten. De zon komt op, het is mooi maar… om de haverklap moet Dom stoppen om een dode kangoeroe van de weg te sleuren. Hij doet dat om te controleren of er geen levend baby’tje meer in de buidel zit en om te vermijden dat roofvogels straks het slachtoffer worden van een andere vrachtwagen. Langs de weg groeit meer gras dan in verderop: dit is te aantrekkelijk voor de kangoeroes: ’s nachts komen ze daar op af. Behalve een kangoeroe in mijn bord en dode langs de weg zag ik er nog geen… treurig, he.

De vrachtwagen hier zijn erg bijzonder. Men noemt ze road trains; soms hangen vier opleggers achter elkaar, de maximum lengte is 52 meter. Maar gezien die gevaartes teveel wind vangen en dan teveel gaan zwieren worden ze minder en minder zo lang gemaakt. Wanneer zoiets aan 100 per uur over de baan vliegt is er uiteraard geen sprake van stoppen voor wat dan ook.

In de verte ligt Katja Tjuta: adembenemend. Ik vind die nog mooier dan het bekende Uluru. Katja Tjuta bestaat uit 26 rode reuzerotsen. Gevormd door de erosie van een bergketen die ooit verderop lag: steentjes werden meegesleurd door een rivier, bleven liggen in een lager gelegen kom en werden door een natuurlijke cement met de tijd aan elkaar gekleefd.

We rijden traag rond dit fenomeen en gaan er drie uur in wandelen. In de valley of the wind kunnen we gelukkig genieten van wind: het is bloedheet. We zien er rotstekeningen, op die tekeningen is veel van de huidige aboriginal kunst gebaseerd: de kunst die wij kennen is hedendaags, alleen ontstaan na 1970. Aboriginals versierden niet, deden niet aan kunst: deze symbolen zijn er om iets uit te leggen aan iemand.

Voor we naar Uluru rijden kunnen we even zwemmen, als dat geen deugd doet!

Ook hier rijden we eerst rond de berg voor we wandelen. Op sommige plaatsen vraagt men niet te fotograferen; al zie je hier geen levende aboriginal meer: het blijft een gevoelige plaats. Zeker de grot waar vrouwen hun kinderen kwamen baren; andere plaatsen zijn zo heilig dat de betekenis door geen blanke gekend is.

Waarom de plaats waar een watervalletje naar beneden valt zo belangrijk is? Om zich te wassen? Dat deed men niet, daarvoor is water in de woestijn te kostbaar… omdat je hier kon jagen, op dieren die zich hier kwamen laven. Alleen op de kleintjes wel te verstaan: de moeders moest je laten leven, de vaders die de leiders van de groep zijn ook. Zonder hen zou de kudde niet meer terugkeren.

We rijden naar een uitkijkpunt om de zonsondergang boven Uluru te bewonderen. Populair, zo blijkt aan de tafels die er in openlucht gedekt zijn:de champagneflessen staan klaar. Maar niet voor ons. Wat ben ik daar blij om: ik wil nu alleen maar kijken en schilderen! Het is mooi, niet zo mooi als verwacht: de zon zit op deze tijd van het jaar niet perfect om de rots als een massieve, rode klomp te zien verkleuren. De vertikale schaduwen zijn te hard.

Vertikale schaduwen? Horen lijnen op een rots niet horizontaal te lopen? Natuurlijk! Maar deze berg is iets heel erg speciaal. Eigenlijk is dat maar de zijkant en een derde van een rots die je ziet: de rest zit nog onder de grond. Ooit stond deze rots vertikaal, maar door aardverschuivingen is hij op zijn zijde gaan liggen, je kunt het je niet voorstellen! Dit verklaart waarom de lijnen vertikaal lopen…

Ik ben Dom erg dankbaar dat we hier als laatste vertrekken. Hij kookte hier eveneens, we aten, zegt men. Ik was te druk aan het schilderen.

Weerom slapen we in onze swags, buiten dus. Niet in the middle of nowhere, zoals gisteren, jammer, maar op een camping. Maar ik slaap weer heerlijk en kan wonder boven wonder fit en monter ‘mijn matten oprollen’ om halfvijf om naar de zonsopgang rond Uluru te gaan kijken!

Weer sta ik paraat met verf en papier: raar is dat, zo in het donker je papier klaarmaken en je verf organiseren!

Ook nu is het mooi, maar het kon veel spectaculairder. Maar toch zijn we supertevreden!

Voor we de terugrit aanvangen maken we een grote wandeling helemaal rond Uluru. Prachtig.

Op de terugweg kan je even kameel rijden. Ik doe het niet maar geniet van de meisjes die het wel doen. De jongens voelen zich te ernstig. De Afghanen brachten kamelen binnen: het enige goede vervoermiddel om hier in de negentiende eeuw een spoorweg te kunnen aanleggen. De afstammelingen van die kamelen lopen nu in het wild rond, en er zijn ook enkele beroemde kamelenboerderijen, want Australie is het land van de Camel Race.

Ik geniet tot de laatste snik van de rit! Dit was uniek.

De douche en het pintje zijn goddelijk, het afscheidsetentje warm en gezellig maar… veel te veel lawaai in dit café. We moeten roepen naar elkaar, jammer.

Als afscheid dans ik nog met een jonge knappe boerin uit Duitsland, die hier als andere ervaring even op een Australische boerderij werkt: men vraagt zich af hoe vaak we in het geniep geoefend hebben! Het is zalig!

Ik weet niet waar ik het heb als niemand me wekt en ik mag uitslapen!

Voor we naar de luchthaven gaan bezoeken we nog een fantastische galerij met kunst van de aboriginals. Ik raak enorm onder de indruk door het werk van een 70 jarige kunstenares: Emily Kame Kngwarreye. Op de foto zie je haar zitten schilderen in de brousse onder een metalen luifel.

Ze slaagt erin een heel bijzonder licht te brengen in de akrielverf-kronkels die ze met handen, vingers en een borstel aanbrengt.

Nadat ze een erkenning kreeg waardoor ze veel geld kreeg liep het fout: de druk op haar door de buitenwereld en haar leefgemeenschap werd te groot. Ze nam een time-out en stierf kort daarop door een longontsteking.

Er hangt nog veel werk van anderen hier, voor heel veel geld. Ik mag er niet aan denken wat de kunstenaars ervoor krijgen. Op foto’s zie je de galerijhouder het werk ophalen in the middle of nowhere en ze iets, voedsel? , geven…

Ik ben helemaal blij en opgeladen omdat ik deze kunst eindelijk aanvoelde. Het nam even tijd. Ik ben klaar om naar Cairns te vliegen!

Daar, aan de oostkust van Australië, komen we in een prachtig backpackershotel terecht met een heerlijk zwembad en jacuzzi waar we meteen gebruik van maken.

Morgen gaan we twee dagen een boot op om te snorkelen: vissen en koralen bekijken op THE GREAT BARRIER REEF!

Er komt geen einde aan dit feest… (ik besefte toen niet dat hier mijn einde wel bijna lag!)

Zaterdag 09.02.08 wordt een datum om nooit te vergeten. Het wordt toch één van dé meest grensverleggende avonturen van mijn leven… ik zeg het je eerlijk: ik ben trots op mezelf! Luister…

Nadat we op het vaste land de nodige papieren ondertekenden dat we gezond zijn, worden we voor twee uur op een boot gedropt, die ons via een mooie tocht 60 km buitengaats naar de boot brengt waar we twee dagen zullen blijven.

We mogen ons installeren in onze ruime kajuit met douche en krijgen om elf uur instructies over het snorkelen. Na het middagmaal, om 13u springen we de volle zee in. Zelfs dat springen durf ik met moeite, men moet me met zachte dwang erin duwen, daar komt het op neer. Zo’n angsthaas ben ik.

Het zwemmen in zout water valt enorm mee, je wordt gedragen door dat zout, zo lijkt het. En al snel snorkelen we boven fenomenaal natuurschoon: koralen van allerlei vormen en kleuren: prachtig! Vormen, als een gewei maar dan knalfluo-blauw, of paddestoelen, felgroen en geel… En dan die vissen? Dit lijkt niet echt. De grote met hun bijzondere kleuren en vormen stelen natuurlijk de show, maar zwemmen tussen een school met duizenden kleine visjes vind ik heerlijk. Roze, blauwe, gele…Het is prachtig!

Ik maakte het al ooit mee in Mexico, lang geleden, mijn herinnering was super, dit overtreft het. Voor Frank is het de eerste keer. Hij geniet erg al heeft hij problemen met zijn snorkel, er komt steeds water in zijn luchtpijp, raar is dat. Maar hij zet dapper door. We zijn allen ontgoocheld als we al terugmoeten, het mocht eeuwig duren. Wat ben ik blij te weten dat we nog veel snorkelgelegenheden krijgen, de volgende uren en morgen!

Iemand op de boot vertelt ons dat de drie vissen die we samen zagen een samenwerkende vennootschap waren: kleine visjes zwommen onder een grote dikke vis, erboven zwom een palingachtige. Die kleine durven onder de grote zwemmen omdat ze weten dat die niet in hen, klein grut, geïnteresseerd is. Maar die grote heeft een afspraak met de lange: hij is de dekmantel. De lange flipt langs de grote heen en heeft de kleine te pakken… wat ik een lief spektakel vond blijkt een wreed spel te zijn…

Eigenlijk zijn we maar met drie op deze boot die snorkelen; de anderen zijn duikers. Een man komt met ons praten: als we willen mogen we proberen, als het niet lukt brengt hij ons zo weer boven water en moeten we niet betalen. Ik ben resoluut: geen denken aan! Ik met mijn claustrofobie gevoelens en watervrees… dat zou te gek zijn!

Maar dan hoor ik dat de snorkelaars niét mogen meedoen aan de nachtduik, dit is alleen voor duikers en net dat leek mij zo spannend! Moet ik nu echt leren duiken om vannacht dat water in te mogen? Ja, dus!

Ik geloof mijn eigen ogen niet als ik daar aan de rand van de boot sta in een duikerspak! Ikke!? Is wat ik nu voel doodsangst of wat? Ik kan het niet meer thuisbrengen, maar het voelt nog leuk, dus… ’t zal wel in orde zijn.

We krijgen allerlei uitleg: vier dingen moeten we proberen en doen voor we echt diep gaan. Ik begrijp dat Engels niet steeds en denk: ik aap gewoon Frank na en het essentiële begreep ik wel, denk ik: steeds blijven ademen!

De man brengt een Rus die ook meedoet naar de stang daar vijf meter dieper in zee. Dan brengt hij Frank daarheen. Dan komt hij mij halen. Doet teken: punt één: dat gaat goed: traag en beheerst ademhalen. Punt twee: dat begreep ik ook: je bril achterover duwen en door je neus blazen als er water inkomt. Punt drie gaat ook nog: je oren een klik geven om aan de diepte te wennen. Prijs bij punt vier: dat was iets van de tube uit je mond halen en er weer insteken maar hoe je dat moest doen is me een raadsel. Ik doe het maar weet niet waarom en natuurlijk loopt dat fout! Intussen zit er ook water in mijn bril, tuiten mijn oren en ik weet niet meer wat ik eerst moet aanpakken: ik doe teken met mijn duim omhoog (ik onthield beslist dat dit niét betekent dat alles goed gaat met je maar dat je naar boven wil). De man doet teken dat ik het goed doe maar ik wil naar boven. Ik heb al medelijden met Frank die daar beneden hangt, vlak voor die immense romp van die boot. Hij zal al ongerust zijn en zich afvragen wat daar gebeurt!

Boven zegt de man dat ik het water in mijn bril moet negeren, dat ik toch mijn neus niet nodig heb, ole!, en dat ik het nog een kans moet geven: mijn ademhaling was zo mooi…

We gaan ervoor. Tot bij Frank, die ziet er nog steeds gewoon blank uit.

Beiden aan een hand van onze gids dalen we tot twaalf meter. Het is magisch!

Dit is ongelooflijk! Vooral het moment dat we knielen op de bodem van de oceaan vind ik irreeel. We nemen een gigantische zeekomkommer vast. De gids wil even onze hand lossen maar daar komt niets van in huis, hij voelt dat ik het meen.

35 minuten blijven we onder water!

Als we boven komen hebben we wel allebei dezelfde gedachte: prachtig, zeker, maar niet voor herhaling vatbaar. Laat ze maar duiken vannacht, in peis en vree gunnen we het iedereen. Dankbaar om de ervaring.

De gids zegt dat hij indien ik een nachtduik wil doen, constant my lovely hand zal vasthouden. Ik dank hem voor zijn toewijding.

Het begint te gieten, we kleden ons en gaan lekker avondmalen: water maakt honger.

Om zeven uur ga ik mee luisteren naar de instructies voor het nachtduik. En het ongelooflijke gebeurt daar: ik laat me toch wel overhalen zeker! Frank is wat zeeziek en doet het niet. Maar ik bedenk: ‘Lieve, die is zo uniek, je krijgt echt nooit meer de kans om in de nacht in een oceaan te springen. Zet je tanden op elkaar en doe het!’ en dat haalt me erover.

Ik schrik al als we nu eerst op onze rug naar de andere kant van de boot moeten zwemmen en dan via dat schuine meertouw dat vol zeewier hangt, ons de diepte moeten intrekken, in plaats van via de geciviliseerde stang van deze namiddag!

Het wordt machtig. Met een grote zaklamp door die oneindige diepte! Het spijt mij niet dat wij geen haaien zien, de anderen zien ze wel. Ik vergeet het beeld van de paar knalrode ogen vanuit een koraalspleet nooit: het bleken de ogen van een gigantische kreeft te zijn. Knap! Sp(r)ookjesachtig!

Ook het zien van de anderen in dat zwarte gat met die zaklamp vind ik prachtig.

Het is wat koud onder water, ik ben niet treurig als we terugzwemmen. Maar zo blij en trots dat ik het deed! Ook de mensen rondom ons reageren heel leuk! Dit was zo bijzonder.

En neen, ik zal het niet meer doen want ik kan me voorstellen, als ik er nu mee doorga dat ik hier echt wel van gebeten wordt en dat vaak wil doen en mijn leven zit nu al zo vol! Morgen ga ik weer rustig snorkelen…dat dacht ik maar…

Om halfzes rammelt men ons uit bed. Na een kop koffie gaan we om zes uur het water in voor ochtendsnorkelen. Frank en ik alleen, zonder begeleiding. We zijn wat gestresst, schrik natuurlijk, de zee is zo groot! En Frank blijft sukkelen met zijn tube, het is beangstigend voor mij om hem bezig te zien. We zwemmen terug voor een controle. De kapitein stelt voor dat we een lifejacket aandoen. Eerst zeg ik dat we dat niet nodig hebben maar eigenlijk is dat een goed idee: dan kunnen we lui drijven om de vissen en koralen te bekijken. En blijkbaar is deze reddingsgordel de oplossing voor het probleem met de tube. We kunnen nu volop genieten, oef.

De koraalvorm waar we nu heen gevaren zijn is prachtig: een berg onder water, een berg vol koralen met zijkanten van zwiepende kleuren en vormen. De school zwarte platvissen met gele rand om de vin steelt de show! En de zon komt uit: wat een effect geeft dat onder water! Alles gaat stràlen en glinsteren! De vissen worden zwemmende kleur-grapjes: ze nemen alle kleuren aan, worden soms zelfs doorschijnend!

Wat jammer eigenlijk dat we niet meer zon hadden, nu ik het zo zie.

Nu kan ik nog meer genieten van het zien van de duikers onder ons, daar in de diepte. Ik probeer hun luchtbellen tussen mijn handen te pletten! Fantastisch, ik voel me voor het eerst perfect ontspannen, onder water…

Eenmaal aan dek komen de zwarte wolken weer opzetten en gaat het weer regenen. Hoe jammer toch!

Maar die druppels zijn niet natter dan het water: om elf uur gaan we terug het water in, de boot heeft zich weer elders gelegd.

Als echte zwemmen we verder weg. Nu vallen we op reuzeschelpen waartussen knalblauwpaars wier uitpuilt: mooi! We zijn in ons nopjes!

Maar plots gebeurt iets heel engs: eensklaps steekt een gigantische storm op. Het begint zo hard te regenen, het wordt zo zwart dat we de boot haast niet meer zien: hij zet zijn lichten op, wat het alleen enger maakt. De golven worden zo hoog! Bangelijk. We begrijpen dat we terug moeten, en rap. Maar de stroming is zo hevig, we komen niet vooruit. Later zullen we lezen dat men ons een grondregel niet uitgelegd heeft: je tocht steeds tegen de stroom in beginnen! Nu waren wij veraf, zonder we het beseften.

Ik roep Frank, ik wil samenblijven, hij hoort me niet en gaat er vandoor, denkend dat ik er ontspannen uitzag en hij best zichzelf redt, toch niets meer kan doen. Trouwens hij ziet een reddingsboot langs zich heen zoeven en denkt: oef, ze gaan haar halen. Ik dacht het ook. Groot was mijn consternatie als de boot in volle speed verder doorzoefde! Ik dacht: daar zit iemand in grotere nood, (blijkt het een duiker te zijn die een bloedneus kreeg) je staat er nu alleen voor! Alsof de ellende niet groot genoeg was: vlakbij me, werkelijk tegen mijn arm passeert zo’n gigantische reuzekwal! Zo ene waarvan men zegt dat ze niet in volle zee zitten!

Ik moet hier weg. Ik wil mijn armen gebruiken, waardoor ik ook ronde bewegingen met mijn benen ga maken: met zwemvliezen aan loopt dit pas helemaal fout. De schrik dat mijn zwemgordel loskomt, dat ik het gewoon niet haal want telkens ik even probeer te kalmeren of te rusten wordt ik in sneltempo verder terug gedreven, zet ik uit mijn hoofd en vervang dit door: het moét. Ik zet alles op alles. Mijn tenen gaan openscheuren in de zwemvliezen. Als ik onder water ga met mijn hoofd om beter te snorkelen is het resultaat alleen dat ik totaal de verkeerde kant uitga, weg van de boot. Constant onder water en terug boven water dus. En beheerst zwemmen. Frank staat me op het trapje op te wachten, trekt me het laatste vooruit, ’t leek alsof dat stukje er inderdaad teveel zou aangeweest zijn. Hij trekt mijn zwemvliezen van mijn voeten. Niemand op de boot spreekt.

Dit was ongelooflijk eng! Dit was niet leuk!

Ik heb meer dan een week nachtmerries van dit beeld: ik ben ontgoocheld in mezelf dat ik er niet zou aan gedacht hebben om hulp te vragen aan een reddingssloep en ik wordt gepijnigd door het idee: had die kapitein ons niet aangemoedigd de duik hiervoor een piepschuimen gordel aan te doen, dan waren we nu echt wel een herinnering, hier op aarde! Ik troost me aan de gedachte dat ik wel vruchten plukte van mijn vele zwemmen (dank mates in Bornem!) en mijn doorzettingsvermogen…

Het liefst was ik om één uur nog eens gaan snorkelen om het feest in schoonheid af te sluiten, want uiteindelijk was dit zo prachtig, maar de storm was nog niet gaan liggen en daarenboven waren we niet sterk genoeg meer.

De terugvaart naar Cairns gaat jammer genoeg aan ons voorbij: het wordt fixeren op de horizon om niet zeeziek te worden… jammer toch! Dit moest een exotische, zonnige boottocht worden midden een groene zee, waarbij je de koraalondergrond zou zien glinsteren door het wateroppervlak…

Toch voelen we ons supergelukkig met deze dagen. Dit was cool!

Het laatste hoofdstuk van de reis: we worden om zes uur gewekt, om zeven uur opgepikt voor een tweedaagse door het tropische regenwoud. Een lange tocht langs de kust, noordwaarts met veel regenwoud mét mangroves: mijn lievelingsbomen! Ik zag er ooit in de Andamaneilanden met een wortelspel als een parasol, maar hier heb je er ook met wortelen als glooiende linten. Zo knap!

In een park gaan we krokodillen kijken: wat een beesten, niets sympathieks aan: als ze uithalen is dat vliegensvlug. Je komt ze beter niet tegen in vrijheid, denk ik.

Blijkt al snel dat ze hier overal zitten. Je mag de zee niet in: pas op voor kwallen en krokodillen! In deze tijd van het jaar zitten ze er. In de winter niet.

We maken een mooie wandeling op zoek naar een winkel. Daar slaan we ons avondmaal in: flesje wijn, camember, brood, olijfjes, groentjes… we beleven een topavond die eeuwig mag duren: eten op het terras van onze prachtige hut, midden het regenwoud. Rondom ons lichtjes van glimwormen die glinsteren vanuit de nacht van het woud, luid kwakende padden, krekels…de kaarsjes die we kochten zorgen voor sfeer, houden de muggen weg.

Als we ’s morgens gaan wandelen voel ik me niet echt op mijn gemak. En een legendarische reactie van Frank maakt het niet beter. We wandelen en hij zegt: ‘kijk eens hier, kijk eens hier’ en in mijn ooghoeken zie ik hem wegspringen. Mijn alarmbel gaat, en ik spring ook weg, al weet ik niet waarvoor… het bleek een anderhalve lange zwarte slang te zijn, op tien cm. van mijn voet zat ze me aan te kijken. Ik liep te dagdromen en zag ze niet.

Ik leg Frank uit dat hij zijn woordkeuze in dergelijk geval moet veranderen: ‘pas op, gevaar’ zou al efficiënter zijn…

Later vertelt de gids dat weinig slangen gevaarlijk zijn, ze zijn meestal bang van ons. Tja…

We komen aan een punt diep in het woud, waar een gevaarsbord voor krokodillen staat. Daar mogen we niet verder. We moeten linksaf, en daar zou een meertje zijn waar we wel mogen in zwemmen… ik vrees dat mijn verzadigingspunt bereikt is: ik zie in elk boomwortel een slang, in elke kei een rug van een krokodil en ben zo blij dat we het pad niet vinden en moeten terugkeren!

Het ommetje tot aan het water, het witte strand, de knappe bomen, het blauwe water maakt me veel gelukkiger.

En jawel, bij aankomst de duik in het veilige zwembad ook!

We hebben tijdens de terugrit nog een cruise op een rivier waar we inderdaad drie krokodillen zien en een gigantische wurgslang! Ook hier hangen de bomen vol vliegende vossen.

De volgende dag moet niets! We kunnen lang slapen en ik lig zowat de hele dag aan het zwembad! Pas ’s avonds komt er beweging in me en gaan we langs een prachtige promenade wandelen die tot de haven van Cairns leidt: gloednieuw aangelegd, knap gedaan. Overal publieke barbecuestellen… knappe banken, knap laguna-zwembad.

In de haven gaan we… krokodil eten! Dit is als een zeer vaste witte vis: lekker, hoor.

We vliegen naar Sydney, waar we afscheid nemen van Australië, Myriam en deze heerlijke stad.

In Auckland, wachtend op de vlucht naar Shanghai krimpt mijn maag even samen: al die luidruchtige Chinezen, wachtend aan de gate… daar gaan we weer! Een Amerikaanse vrouw lijkt mijn gedachten te lezen! We schieten samen in een lach!

De stop in Shanghai was een reuzebeslissing! Ik had me meerder malen afgevraagd hoe ik deze reis kon afronden zonder mijn babbeltje met mijn ouders die de allerbeste luisteraars vol interesse zijn, na een reis en zonder mijn babbel met Brigitte. En daar was Jan! De perfecte surrogaat moeder, vader en vriendin! Bedankt Jan, ook voor de heerlijke ontvangst!

Het vliegen boven Shenyang choqueerde ons wat: alle rivieren, meren en de rand van de zee bevroren en boven de stad: warempel: een gigantische grijze stofwolk. Toch eenmaal voet op aarde voelen we ons heel bij hier te zijn! Toch schrikken we wat: China is toch armer dan gedacht, na dit goedgeorganiseerde Australië en NZ valt dit nog meer op. En die zwervende plastiek zakjes her en der…ik was het vergeten.

Ik ben weer onder de indruk van het licht: helder, zonnig als steeds! En de temperatuur valt mee: drie tot min tien in de nacht. Vorige maand daalde het tot min 18 tijdens de dag… goed gezien van ons om weg te gaan.

Van als het uurverschil het toelaat bel ik mijn ouders. Hoogtijd, het duurde toch te lang dat we mekaar niet hoorden! Ook het horen van Brigitte is zalig. We kunnen er weer tegen. Talrijke postkaartjes wachten ons op, en mailtjes… dank je wel allemaal om ons niet te vergeten!

Traantjes bij het lezen van de brief van mama, toch dank mama om dit met me te delen!

Schok ook bij het lezen dat een kennis van ons, Roger, we reisden met hem in Korea, plots gestorven is. Tijdens het fietsen, de nacht ervoor sliep hij nog met de andere fietsers in een tentje…met kennissen bereidde hij zich voor op een fietstocht naar China, we zouden hen misschien in het westen ontmoeten. We zijn er niet goed van.

We zijn vast van plan om van ons laatste half jaartje hier goed te genieten en in augustus staan we terug in België… maar eerst nog wat Chinese verhalen voor wie er zin in heeft!

Het wordt Shenyang zonder mijn nieuwe Chinese vriendinnetje, Rebecca: ze woont 2.500 km. verder: intussen veranderd van werk, jammer; dingen veranderen hier snel.

Al na een dag beseffen we al dat de verhalen hier nooit eindigen!

Zo mocht ik vandaag onaangekondigd naar het ziekenhuis voor een medisch onderzoek. Plots is mijn Belgisch medisch onderzoek niet meer geldig: er had een stempel moeten staan over mijn foto heen! (mijn visum moet weer eens verlengd worden) Ik hou al niet van bloed prikken, laat staan met naalden die ik niet ken. Ik heb mijn eigen naalden mee! Maar de paniek was overbodig: de naalden en het hele ziekenhuis waren steriel. Net als de verpleegsters: niets liefs aan…Plasje doen, ogen controleren, cardiogram maken (ze snauwt: ‘relax, relax’ als haar machine het niet goed doet), bloeddruk checken, foto’s van de longen… Vier mensen begeleidden me: Frank, een chauffeur en een vertaalster… beetje veel van het goede maar ze zijn getuige: laten we geloven dat ik gezond ben (al loop ik hier na één dag al te sniffen, allergie op de lucht?)…klaar voor nieuwe verhalen maar vooral: om nu hard aan het werk te gaan! Mijn ezeltje staat te balken, mate! Bye Sheila, give it a burl, Aussie!

    About us

    Frank en Lieve waren al vrienden van China, voor ze elkaar leerden kennen.
    Hij bewondert de Chinezen voor wat ze in enkele decennia verwezenlijkten en volgt met belangstelling de evolutie van het Chinese socialisme. Hij was ingenieur en bezocht China beroepshalve zowat 50 maal. Hij was voorzitter van de Vereniging België-China en bestuurder van de Belgisch Chinese Kamer van Koophandel; hij schrijft in het tijdschrift China Vandaag en geeft regelmatig conferenties over China. Na zijn pensioen gaf hij sinds augustus 2006 als vrijwilliger les aan de Shenyang Normal University.

    Zij is kunstschilder en bezocht China drie keer: in 87 individueel; ze had al andere ontwikkelingslanden bezocht en was onder de indruk: iedereen in dit gigantische land had eten, een woning en nette kledij. In 88 werd ze officieel uitgenodigd om een tekenwedstrijd te jureren. In '89 gaf ze een reisverslag, geïllustreerd met haar schetsen uit: 'Kanttekeningen uit China'. Een selectie van haar schilderijen zijn te zien op: lievedejonghe.be.

    Sinds de zomer van 2008 zijn ze terug in België, waar ze verder activiteiten rond China ontwikkelen..

    Links
    Admin